Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien een vader zijn kind niet laat inschrijven en de verklaring aflegt, dat hij het liever van onderwijs verstoken laat dan het toe te vertrouwen aan een der scholen in zijne omgeving, waar het geplaatst kan worden, dan krijgt hij de vereischte vrijstelling, zonder dat hem verder gevraagd wordt, waarin zijn overwegend bezwaar bestaat. De mogelijkheid — het werd boven reeds opgemerkt — is niet uitgesloten, dat iemand de gelegenheid om dergelijke verklaring af te leggen slechts als voorwendsel gebruikt 0111 van de leerverplichting vrij te komen en zijn kind ten eigen voordeel te exploiteeren, en dat hij, ondanks de door hem afgelegde verklaring, noch bezwaar heeft tegen het op de scholen gegeven onderwijs, noch zelfs tegen den persoon van een of meer onderwijzers. Dat gevaar is echter niet groot, vooreerst omdat er geen grond is aan te nemen, dat er vele ouders zijn, die er wel een valsche verklaring voor over hebben, 0111 hunne kinderen geheel van onderwijs verstoken te laten; — in de tweede plaats niet omdat bij het tot stand komen van eene nieuwe wet op de ontzetting uit de ouderlijke macht, ouders van dat allooi allicht zullen ondervinden, dat ook tegen geheele verwaarloozing strenge maatregelen zijn verordend. Maar zelfs al ware dit gevaar grooter dan ondergeteekende het zich voorstelt, zoo zou hij toch bezwaar hebben tegen een regeling, waarbij in elk geval onderzocht zou moeten worden, of de afgelegde verklaring wel juist is, of werkelijk de vader wel een zoodanig bezwaar heeft, dat het als geldig kan worden aangemerkt. Geen andere waarborgen tegen misbruiken zijn mogelijk, dan dat alleen het absolute schoolverzuim en niet het relatieve schoolverzuim met een beroep op gemoedsbezwaren kan worden verontschuldigd, dat de vrijstelling kan worden geweigerd, indien bepaalde, in de wet genoemde feiten of omstandigheden er op wijzen, dat misleiding in het spel is, en eindelijk, dat de af te leggen verklaring zoodanig moet zijn ingericht, dat aan niemand de ernst van de verklaring kan ontgaan.

Na deze uiteenzetting zal men. naar ondergeteekende vertrouwt, toestemmen, dat in het systeem dezer wet niet past de bepaling, dat een bezwaar tegen het onderwijs van een zekeren onderwijzer niet zal beschouwd worden als een geldend gemoedsbezwaar. De eenige vraag zou nog kunnen zijn. of de schoolopziener in de weinige gevallen, waarin hij een onderzoek moet instellen, de vrijstelling zou moeten weigeren, indien het blijkt dat de vader niet bezwaar heeft tegen de school in het algemeen maar tegen een bepaalden onderwijzer.

Een dergelijk voorschrift zou weinig rationeel zijn. Of een vader van meening is, dat het onderwijs, hetwelk aan zijn kind zal worden gegeven, verderfelijk is, omdat hij de richting van het onderwijs op een zekere school in het algemeen afkeurt, dan wel omdat hij overtuigd is dat een bepaalde onderwijzer, aan wiens leiding het kind zal worden toevertrouwd, bij het geven van onderwijs een geheel verkeerden invloed zal uitoefenen, maakt voor de zaak die het hier geldt geen verschil. Ondergeteekende kan ten minste vooralsnog niet inzien, waarom het eene bezwaar geëerbiedigd zou moeten worden en het andere niet. En nog minder kan hij inzien hoe men dit middel zou kunnen aangrijpen, om te trachten het ontslag te provoceeren van een onderwijzer, met wiens meeningen op politiek en sociaal gebied men zich niet zal kunnen vereenigen. Reeds hierom niet, omdat hij een combinatie van ouders, die besluiten hunne kinderen geheel van onderwijs verstoken te laten

L

Sluiten