Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft hij gemeend, met betrekking tot den duur van den leerplicht, een niet onbelangrijke wijziging in zijn voorstel te moeten brengen. Het zijn voor een deel redenen van opportuniteit, die hem er toe gebracht hebben den leeftijd van 13 jaar als regel niet te handhaven. Op bladz. 30 wordt gezegd, dat voor vele leden een hoofdbezwaar tegen dit wetsontwerp was gelegen in de financieele gevolgen en dat ook vele voorstanders van het ontwerp zich met de voorgestelde regeling op dit punt niet konden vereenigen. Nu is het niet te ontkennen, dat de uitbreiding van den leertijd tot het 13de jaar, voor openbaar en bijzonder onderwijs beide, vooral door de noodzakelijkheid om het aantal klassen te vermeerderen, groote uitgaven met zich zou brengen, al is ook de opsomming van de vele millioenen, die zonder nadere motiveering in uitzicht worden gesteld, zeer overdreven. De ondergeteekende was dus verplicht te overwegen, of niet een andere regeling van den leerplichtigen leeftijd ware te ontwerpen, die, zonder zoo groote kosten te veroorzaken, — waarvan allicht het gevolg zou zijn dat de uitgaven noodig voor een herziening van de Schoolwet bezwaarlijk zouden kunnen worden gevonden — toch de na<leelen, verbonden aan een te korten leerplicht, zooveel mogelijk zou ondervangen.

En die nadere overweging heeft geleid tot eene regeling, waarbij aan vele bezwaren wordt tegemoetgekomen en waarmede, naar ondergeteekende zich vleit, ook zij vrede zullen kunnen hebben, die met hem van meening zijn, dat voor geen enkelen kring van burgers het onderwijs met het 12de jaar geheel mag eindigen.

In plaats van het 13de jaar is in het gewijzigde wetsontwerp niet het 12de jaar als eindpunt van den leerplichtstij d aangenomen, maar als grondslag aangenomen het doorloopen van eenen zesjarigen leercursus. Die geregeld van de eene klasse naar de andere overgaat, zal, als hij op zijn zesde jaar naar school begint te gaan, van leerplicht vrij zijn op 12-jarigen leeftijd. Wordt hij niet geregeld van de eene klasse tot de andere bevorderd, dan zal hij niet vrij zijn van de leerverplichting, voordat hij de hoogste klasse heeft doorgemaakt. Dit laatste echter met eenige reserve. Zeer achterlijke kinderen toch zullen misschien op hun 12de jaar nog in een der lagere klassen zitten. Van hen te vorderen, dat zij toch in elk geval den zesjarigen leercursus, dus alle klassen, moeten doorloopen, zou onredelijk zijn. Daarom is bepaald, dat kinderen, die bij het bereiken van den 13-jarigen leeftijd nog niet alle klassen hebben doorloopen, vrij zijn, zoodra de klasse waarin zij op hun 13den verjaardag geplaatst zijn, is afgeloopen. Het kind dus, dat zes jaar oud naar school gaat, zal in den regel op twaalfjarigen leeftijd, maar bij onvoldoende vorderingen toch in elk geval op dertienjarigen leeftijd de school kunnen verlaten.

Aan deze regeling zijn, naar het den ondergeteekende voorkomt, de volgende voordeelen verbonden:

1". dat met het oog op reeds ingeschreven leerlingen geen nieuwe schoolbouw of uitbreiding van lokalen noodig is, daar de cursus van zes jaren blijft bestaan en niet tot zeven verlengd wordt;

2°. dat de leerlingen, die onvoldoende vorderingen maken, zich niet voldoende inspannen of ondanks de leerverplichting niet geregeld schoolkomen, niet op twaalfjarigen leeftijd vrij komen maar langer moeten schoolgaan, zoodat dezen, die een langeren leertijd het meest

5

Sluiten