Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het leven te roepen. Bij ongewijzigde handhaving van het tegenwoordige art. 17 der wet tot regeling van het lager onderwijs heeft men dien waarborg niet. Wel heeft de wetgever zich voorgesteld, dat onder de werking van dat artikel overal, waar dit slechts mogelijk was, herhalingsscholen zouden worden opgericht, maar de practijk heeft niet aan die verwachting beantwoord. In de practijk bleven de gemeentebesturen, die aan herhalingsscholen weinig waarde hechtten, geheel vrij om het stelsel van onthouding toe te passen, en de onvoldoend gebleken indirecte dwang van art. 17 zal dus in directen dwang moeten worden omgezet. Aan de besturen der bijzondere scholen kan bezwaarlijk de verplichting worden opgelegd ook herhalingsonderwijs te doen geven, maar niet ongegrond schijnt de verwachting, dat men ook daar niet in gebreke zal blijven, indien zij weten dat ten gevolge van de nieuwe wet het aan leerlingen niet zal ontbreken en, wat de inrichting van het herhalingsonderwijs betreft, de grootst mogelijke vrijheid wordt gelaten.

Bij de artikels zullen de bepalingen betreffende het herhalingsonderwijs nog nader worden toegelicht, maar hier ter plaatse dient nog een antwoord te worden gegeven op de vraag, of het niet voorbarig is het herhalingsonderwijs verplicht te stellen, voordat door de ouders meer algemeen het hooge belang van dat onderwijs voor hunne kinderen wordt ingezien, voordat in alle kringen der bevolking de overtuiging is doorgedrongen, dat dergelijk onderwijs voor kinderen, die reeds op jeugdigen leeftijd de lagere school verlaten zonder naar een andere over te gaan, bijna even onmisbaar is als het gewone lager onderwijs.

Zeer beslist meent ondergeteekende die vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Ware het besef van de groote beteekenis van goed lager onderwijs algemeen, ware er geen onverschilligheid, geen zucht om eigen voordeel te stellen boven het belang der kinderen, geen volslagen onkunde aangaande hetgeen dringend noodig is te constateeren, er zou in het geheel geen leerplicht noodig zijn. Voor hen, die hun plicht begrijpen, zijn dwangmaatregelen overbodig. De vraag is dus alleen: Kan met grond worden volgehouden, dat ouders, die hunne kinderen eenige jaren de gewone lagere school hebben doen bezoeken, genoeg hebben gedaan? Is het onredelijk hen te verplichten het onderwijs daarna nog eenigen tijd in de avonduren voort te zetten r Zijn er overwegende redenen voor den Staat de leerverplichting ook tot herhalingsonderwijs uit te strekken ? Die daarop ontkennend antwoordt, overschat wat de gewone lagere school kan geven, heeft een veel te gering denkbeeld van hetgeen men noodig heeft in den strijd om het bestaan. Is het geen algemeen erkende waarheid, dat het onderwijs, hetwelk men tot aan den twaalfjarigen leeftijd heeft genoten, slecht beklijft, indien de leerling, op dien leeftijd in een bedrijf overgaande, verder in 't geheel geen onderwijs meer ontvangt? Men zegge niet, dat kinderen, de schoolbanken verlaten hebbende, daarom immers nog niet hunne leerboeken behoeven weg te doen, maar zich in hunne vrije uren zelf kunnen oefenen. Is de practijk niet in strijd met dat optimisme ? Hoe weinigen zijn er b.v. onder de fabrieksjongens die voortwerken op den grondslag in de lagere school gelegd, indien het hun aan alle leiding ontbreekt en het heilige moeten er niet bij komt? Wil men dus niet,

Sluiten