is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerplichtwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 2 der wet op het lager onderwijs. Daartegen hadden velen bezwaar, omdat de onderwijswet niet vordert, dat op de bijzondere scholen al de genoemde vakken worden onderwezen. Het laatste is waar met betrekking tot de bijzondere scholen, die geen aanspraak maken op het ontvangen der Rijksbijdrage volgens art. 54bis. Voor alle openbare scholen echter en voor alle bijzondere scholen, die subsidie ontvangen uit 's Rijks schatkist, zijn de bovengenoemde vakken verplicht. En deze te zamen vormen de overgroote meerderheid. Bijzondere scholen zonder Rijksbijdragen zijn er betrekkelijk weinig, en op deze worden in den regel de vakken onder a—i onderwezen (zie Bijlage IV dezer Memorie). Indirect zal door invoering van leerplicht volgens de voorgedragen bepalingen de vrijheid van laatstgenoemde scholen eenigermate worden beperkt, want indien de scholen, waar minder vakken worden onderwezen, niet beschouwd worden als de zoodanige, waar aan de leerverplichting kan wordèn voldaan, zal men daar, om te kunnen blijven bestaan, het aantal vakken moeten uitbreiden.

Is echter die beperking van vrijheid niet volkomen gewettigd r Voor de scholen, waar men prijs stelt op Rijkssubsidie, bestaat reeds die vrijheid niet meer, zonder dat er ooit geklaagd is over onbillijke inmenging van het Staatsbestuur. Toch zou dat wel het geval zijn geweest, indien men van meening ware, dat het een te zware eisch is onderwijs in al de bedoelde vakken te vorderen. Terecht heeft de wetgever in 1889 begrepen, dat het verkeerd, om niet te zeggen onverantwoordelijk zou zijn geweest staatsgeld toe te kennen aan scholen, waar minder wordt onderwezen dan voor allen — ook voor allen die de openbare scholen bezoeken noodig wordt geacht.

Dat desniettemin onder de bestaande schoolwet ook scholen worden toegelaten, waar in een kleiner aantal vakken onderwijs wordt gegeven, is volstrekt geen bewijs, dat men naar de meening van den wetgever wel met minder kan volstaan. Men is daarbij blijkbaar uitgegaan van de gedachte, dat het altijd nog beter is alleen onderwijs te ontvangen in enkele vakken dan in het geheel geen onderwijs, maar waar leerplicht wordt ingevoerd, spreekt het van zelf, dat men zich niet tevreden stelt met onderwijs, dat onvoldoende wordt geacht, al is het ook onder de bestaande wet bij gemis van beter niet verboden.

Ondergeteekende heeft dan ook overwegend bezwaar te voldoen aan den wensch van die leden, die de leerverplichting tot lezen, schrijven en rekenen zouden willen beperkt zien. Niet alleen zou bij een dergelijke regeling het doel, door deze wet beoogd, niet worden bereikt, maar bovendien zou men geheel in strijd handelen met den werkelijken toestand, daar op de overgroote meerderheid der scholen het geven van onderwijs in de vakken van a—i nu reeds verplichtend is.

Dat die leden, die van meening zijn dat men op een school met het aanleeren van lezen, schrijven en rekenen moet kunnen volstaan, ook bezwaar hadden tegen de bepaling, dat evenzeer het huisonderwijs, zal het als voldoende worden aangemerkt, de vakken a—g en i moet omvatten, is zeer verklaarbaar. Maar voor deze bepaling geldt dezelfde motiveering. De wet stelt zich met huisonderwijs tevreden, niet omdat men van meening is dat wel met minder kan worden volstaan dan op de school wordt geleerd, maar omdat de Staat, leerplicht invoerende, niet vraagt, waar de noodige kennis wordt verkregen, indien slechts