is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerplichtwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leeftijd hebben bereikt. De bedoeling toch van de oorspronkelijke bepaling was, dat alle kinderen drie jaren school zouden hebben gegaan, voordat zij verlof zouden kunnen krijgen een deel van de zomermaanden op het land te gaan werken. Die bedoeling kan thans alleen worden bereikt door de grens van 9 jaar met een jaar te verlengen.

Eindelijk werd beweerd, dat er een belangrijk verschil zou zijn tusschen de Memorie van Toelichting en het wetsontwerp, omdat in de Memorie van Toelichting wordt gezegd, dat de wet vergunning dient te geven „waar zulks noodig blijkt", terwijl volgens de desbetreffende bepalingen van het wetsontwerp de vergunning alleen geweigerd mag worden, indien zij zou moeten dienen tot een ander doel dan in art. 10 (nieuw art. 13) iste lid, is omschreven.

Ondergeteekende kan niet inzien dat hier inderdaad een essentieel verschil zou bestaan. In de toelichting is niet gezegd, dat de schoolopziener alleen vergunning behoort te geven, indien dit hem noodig blijkt, maar alleen dat de wet vergunning dient te geven ,,waar zulks noodig blijkt". De wet nu kan natuurlijk slechts regelen stellen, de voorwaarden aangeven, waaraan het schooltoezicht bij het verleenen of weigeren van vergunningen zal gebonden zijn. In art. 11 (nieuw art. 14) is bepaald, dat de schoolopziener alleen mag weigeren op grond van bepaalde, in dat artikel genoemde redenen. Weigering kan volgen als hem bij onderzoek blijkt, dat het doel, aangegeven in art. 10 (nieuw art. 13) iste lid, slechts als voorwendsel wordt gebruikt. Volgens het Verslag waren er leden die het zouden willen omkeeren en in overweging gaven de bepaling zoo te redigeeren, dat de schoolopziener alleen verlof kan geven, indien hem blijkt dat de hulp der kinderen onmisbaar is. Ondergeteekende zou dat geen verbetering achten. Het is voor de ouders van het grootste belang er op te kunnen rekenen, dat hunne kinderen, overigens geregeld school gaande, gedurende eenige weken van het jaar de werkzaamheden op het veld kunnen meemaken. Zijn zij zeker van dat verlof, indien zij slechts aan de wettelijke eischen voldoen, dan is daarin voor hen een groote prikkel gelegen om hunne kinderen trouw ter school te doen gaan, daar anders de mogelijkheid om vrij te krijgen verloren gaat, maar indien zij daarop toch niet zeker kunnen rekenen en geheel afhankelijk zijn van de persoonlijke opvatting van den betrokken ambtenaar, dan wordt die prikkel veel geringer. De vraag of de hulp der kinderen al of niet onmisbaar is, hangt te veel at van persoonlijke appreciatie en van het standpunt, dat men daarbij inneemt. Evenals er blijkbaar in de Kamer leden zijn die beweren, dat nergens de hulp der kinderen bij den landbouw onmisbaar is, zouden er wellicht schoolopzieners zijn, die op datzelfde standpunt staan. En hoe zou die ambtenaar moeten handelen, indien hij van meening is, dat de landbouw in een zeker dorp wel dringend behoefte heeft aan de hulp van eenige kinderen, maar niet aan de hulp van allen voor wie verlof wordt aangevraagd 2 Zou hij dan eene keuze moeten doen en aan den een weigeren, wat hij aan den ander, die in dezelfde omstandigheden verkeert, toestaat ? De onmisbaarheid is inderdaad een te subjectief begrip, om de beoordeeling daarvan in quaesties, waarmede zoo groote belangen gemoeid zijn, aan het schooltoezicht te kunnen overlaten.

Op de vraag of niet, wanneer men vrijstellingen ten behoeve van den landbouw wil geven, wijziging der arbeidswet noodig is, moet worden geantwoord dat tusschen een en ander geen onafscheidelijk verband bestaat, -en dat de vraag, in hoeverre de arbeidswet geheel of gedeeltelijk ook op