Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging is gegeven, niet andere groote bezwaren zijn verbonden. Mocht meit werkelijk den eisch willen stellen, dat de bepalingen omtrent toezicht en uitvoering waarborg moeten geven, dat elk schuldig verzuim worde gestraft, dan kan men gerust de hoop opgeven ooit tot eene bevredigende regeling te zullen geraken. Het was ondergeteekende dan ook aangenaam uit het Verslag te zien, dat vele leden, zelfs onder hen, die van meening waren, dat aan de arrondissements-schoolopzieners een te zware taak werd opgedragen, dit ten volle erkenden en er bijvoegden, dat het niet zoozeer de vraag was of allen, die zich aan overtreding schuldig maken, gestraft zullen worden dan wel of de wet een invloed ten goede zal uitoefenen en velen van overtreding zal terughouden. „Men meende" — zoo leest men bovenaan op blz. 35 — „dat de wet langzamerhand eene goede werking zou hebben op de zeden des volks. Zij zal, zooals andere wetten omtrent aanverwante onderwerpen, bij voorbeeld de arbeidswet, vooral preventief moeten werken, en bij den eerbied, dien ons volk voor de wet heeft, mag men ten deze goede verwachtingen koesteren. Het schoolverzuim is thans dikwijls een gevolg van sleur. Die sleur zal worden gebroken door den zedelijken invloed der wet.''

Wat nu meer in het bijzonder de taak betreft die volgens het oorspronkelijk wetsontwerp aan de arrondissements-schoolopzieners zou worden opgedragen — ondergeteekende zal natuurlijk niet betwisten, dat de werkzaamheden van deze ambtenaren zeer zullen toenemen, indien zij mceten beslissen op alle verzoeken om verlof of vrijstelling en tevens moeten nagaan wie zich aan ongeoorloofd verzuim hebben schuldig gemaakt, maar daarom heeft hij dan ook terstond in de Memorie van Toelichting de noodzakelijkheid erkend om het aantal dezer ambtenaren te vermeerderen. De redenen, waarom hij meende de arrondissements-school opzieners met bedoeld toezicht te moeten belasten, zijn de volgende. De schoolopzieners nemen een onafhankelijk standpunt in; van hen mag men verwachten, dat zij zich niet laten influenceeren door allerlei invloeden. Reeds met het toezicht belast, zijn zij de aangewezen personen om, ook waar het de toepassing van de leerplichtwet betreft, tegenover gemeentebesturen, schoolbesturen en hoofden van scholen met het noodige prestige op te treden. Door hun betrekking reeds geroepen voor de belangen van het onderwijs te waken, mag men er op rekenen, dat zij het zich tot een eer zullen rekenen ook tot een goede, rechtvaardige handhaving dezer wet mee te werken. Niet alle schoolopzieners zijn onderwijsspecialiteiten of behoeven dat te zijn, maar bij voorkeur worden zij toch gekozen uit hen. die van belangstelling in onderwijszaken blijk hebben gegeven en van wie men mag verwachten, dat zij met toewijding en onpartijdigheid het toezicht zullen uitoefenen. Algemeen wordt dan ook erkend, dat hunne verhouding zoowel tot de bijzondere als tot de openbare onderwijzers weinig te wenschen overlaat — wat uit den aard der zaak, indien hun ook bij de uitvoering van deze wet een gewichtige taak wordt aangewezen, van het grootste belang mag worden geacht. Er zijn natuurlijk in een zoo groot korps uitstekende en minder uitstekende, ijverige en minder ijverige elementen, maar voor de minder ijverigen zal de nieuwe taak, hun opgelegd, een sterke prikkel zijn, om van meer activiteit te doen blijken. Voor zoover er nu nog zijn, die schoolopzienerschap te veel als een weinig beteekenend bijbaantje beschouwen en tevreden zijn, zoo zij binnen den vastgestelden tijd <le scholen van hun ressort hebben bezocht, zullen dezen weldra tot het

Sluiten