Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keiiis van „ernstige" omstandigheden toekent. Het oordeel van den rechter is vrij, en hoewel het niet licht zal voorkomen, dat eene omstandigheid, welke den schoolopziener geene aanleiding gaf het schoolverzuim verschoonbaar te achten, den rechter er toe brengt dit wel te doen, wettelijk is de mogelijkheid van zoodanige opvatting des rechters niet uitgesloten. Waar de rechter tot een oordeel over de schuld van den beklaagde geroepen is, moet hij bij het vormen van dat oordeel slechts aan eigen opvatting gebonden zijn.

Kr is echter in het Voorloopig Verslag nog een speciale vraag gedaan, waarop in deze § gevoegelijk een antwoord kan worden gegeven. Zal — zoo ongeveer werd gevraagd — het schoolverzuim verschoonbaar zijn, indien een weduwe de zorg van hare kinderen tijdelijk aan buren heeft opgedragen, en dezen zich van die zorg slecht hebben gekweten? Het antwoord volgt reeds uit hetgeen boven werd opgemerkt aangaande het standpunt \an den rechter. De beslissing in dezen of genen zin zal afhangen van de omstandigheden. Dit is geheel buiten twijfel gesteld door de laatste woorden van art. 6 n°. 2.

Andere wetgevingen vatten de zaak niet anders op dan hierboven is uiteengezet. /*ij is ook, indien het kwaad ten slotte moet kunnen worden bestreden door strafoplegging en indien daarvoor eeti practisch bruikbare weg zal worden ingeslagen, bezwaarlijk anders op te vatten.

De overtredingen nu welke de rechter te beoordeelen krijgt, zijn alleen die, welke zich voordoen nadat de administratieve behandeling afgeloopen is.

Betreft het schoolverzuim een kind dat ambtshalve ingeschreven is, ten aanzien waarvan dus voortgezet absoluut leerverzuim voorafging, dan is, gelijk boven werd opgemerkt, reeds de eerste overtreding bedoeld in art 6, sub 2", welke voorvalt binnen zes maanden 11a den dag waarop het kind geacht wordt tot de schoolbevolking te behooren, strafbaar. Voor den rechter behoeft dus slechts te worden bewezen, behalve het ongeregeld schoolbezoek binnen gezegden termijn, het enkele feit der ambtshalve inschrijving. Hoe het bewijs van die omstandigheden voor den rechter kan geleverd worden, zegt art. 28, eerste lid.

Ketreft het schoolverzuim een kind dat niet ambtshalve ingeschreven is, dan is strafbaar de eerste overtreding bedoeld in art. 6 sub 20, welke voorvalt nadat den aansprakelijken persoon is aangezegd overeenkomstig art. 21, § 3, «lat de administratieve behandeling is afgeloopen. voor den rechter behoeft dus slechts te worden bewezen, behalve het ongeregeld schoolbezoek binnen den in de wet genoemden termijn, het enkele feit van die aanzegging. Voor het bewijs van die omstandigheid zal vanzelf op grond van art. 401 Wetboek van Strafvordering, eene ambtseedige verklaring van den schoolopziener, de door hemzelven bezorgde toezending van die aanzegging constateerende, kunnen dienen.

De voorschriften van art. 28. eerste lid, omtrent de voor het constateeren van dit relatief schoolverzuim noodige bewijsmiddelen hebben ten doel eene eenvoudige behandeling voor den rechter te bevorderen, het oproepen van onderwijzers als getuigen te vermijden en de administratieve stukken, welke op zich zelve alle waarborgen van geloofwaardigheid aanbieden, te laten gebruiken ook voor den rechter. Intusschen spreekt het van zelf, dat naar de gemeene regelen van het strafprocesrecht, de rechter volkomen vrij blijft, om aanvulling van de bewijsmiddelen te gelasten, en om de overtuigende kracht «Ier aangewende bewijsmiddelen te beoordee-

Sluiten