is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerplichtwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat schoolfeesten betreft — te ontkennen is het niet dat men daarvan hier en daar — geenszins overal — goede resultaten heeft gezien, maar de ervaring heeft geleerd, dat, als men daarmede van jaar tot jaar doorgaat, ook weder een verslapping van de belangstelling intreedt, en wel in dubbel opzicht. I)e bijdragen van hen die tot het geven van schoolfeesten in staat stellen, nemen allengs af en de belangstelling, die met het uitzicht op een dergelijk feest bij ouders en kinderen wordt gewekt, is in den regel niet duurzaam, vooral niet als het eigenbelang in het spel komt en de ouders beweren de verdiensten der kinderen niet te kunnen missen. Daarbij komt, dat het niet mee mogen doen aan schoolfeesten dikwijls zeer hard is voor de kleinen, die gaarne geregeld school zouden gaan, maar op bevel der ouders op broertjes of zusjes moeten passen of op het veld moeten werken.

In de vierde plaats wordt gewezen op hetgeen in sommige streken van Gelderland wordt gedaan : het afgeven van getuigschriften aan scholieren, waarin wordt aangeteekend in welk vak of vakken het kind heeft uitgemunt, mits het tot aan het einde getrouw de school heeft bezocht. Maar ook aan dit middel 0111 de belangstelling levendig te houden zijn schaduwzijden verbonden. Het is hard voor hen die, ondanks betoonden ijver, weinig bevattingsvermogen hebben en daarom niet uitmunten, nog harder voor hen die zoolang zij schoolgingen zoozeer hun best hebben gedaan, dat zij werkelijk tot de uitmuntende leerlingen behoorden, maar buiten eigen schuld niet tot het einde toe getrouw de school hebben bezocht. Het prikkelen der belangstelling door geschikte middelen is, vooral uit een paedagogisch oogpunt, een zeer lastige materie, maar daarom moet zeker het zoeken van geschikte middelen, ook na invoering van leerplicht, niet worden gestaakt. Hoe algemeener de leerverplichting, des te minder zullen de bezwaren, die nu dikwijls overwegend zijn, worden gevoeld, maar het is een illusie gebleken, dat door het uitloven van belooningen, in welken vorm ook, het schoolverzuim afdoende kan worden beteugeld.

Eindelijk wordt gewezen op de wenschelijkheid om ook de belangstelling der onderwijzers te prikkelen. «Wordt» — zoo leest men in het Verslag aan de onderwijzers zekere belooning toegekend, verband houdende met het aantal ingeschreven scholieren, uit te keeren voor het geval dat het aantal schoolverzuimen zeker percentage niet overschrijdt, dan zou zeer zeker het schoolverzuim in sterke mate afnemen». Vijf en twintig jaren geleden werd dit stelsel in sommige gemeenten in Friesland toegepast, maar men is al spoedig tot het oude regime teruggekeerd. Waarom, werd gevraagd. Omdat, moet het antwoord luiden, de nieuwe regeling niet aan de verwachting beantwoordde. En hoe zou het ook anders mogelijk zijn? De bewering, dat alleen minder goede onderwijzers over groot schoolverzuim zouden te klagen hebben, is in strijd met de werkelijkheid. Niet dat het gehalte van het onderwijs geheel zonder invloed zou zijn, maar er zijn andere factoren die veel meer gewicht in de schaal leggen. De toepassing van het boven aangegeven stelsel moet dus in de practijk tot onbillijkheid leiden, ook al verzekert men een zeker minimum. Als de eene onderwijzer met weinig emolumenten moet genoegen nemen, omdat hij werkt in een omgeving, waar ondanks al zijn ijver en geschiktheid de school des zomers bijna leeg loopt, terwijl hij ziet dat zijn veel minder ijverige collega met