Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

bondgenootschap lijnregt in strijd, wordt ten aanzien van het duitsche Verbond met name uitgesloten door art. 4 der Acte v. 8 Junij 4815 en art. 1 en 2 der Slotacte v. 8 Junij 1820 i. De reden, waarom tot afstand van een deel van het Groothertogdom Luxemburg de toestemming van den Bondsdag werd vereischt, was eene geheel andere, dan die men zich voorstelde! Zij ligt in de laatste woorden van art. 6 der Slotacte v. 8 Junij 1820 *. Het is dus niet het grondgebied van de nederlandsche Kroon over Limburg, maar de werking der Grondwet in andere opzigten, die, voor dat Hertogdom, door de verbindtenis met het duitsche Bondgenootschap kan worden beperkt.

De regten op Luxemburg, aan de Walramschelijn van het Huis van Nassau bij het „Erbverein" v. 1783 en de Weener Congresacte voorbehouden, zijn, ten gevolge van het verdrag v. 27 Junij 1839 3, 0p het Hertogdom Limburg niet overgebragt.

De regtsgrond, weshalve het Groothertogdom Luxem-

') Vergel ten overvloede Klüber, öffentl. Recht d. D. Bundes,

LuT&'m ' "■83, s 212 "■2611

") «Eine freiwillige Abtretung anf einem Bundesgebiete haf• tender Souverainetatarechte kann ohne solche (ausdrüekliche) .Zngtimmung (der Gesammtheit) nur zu Gunsten eines Mitver»bundeten geschehen. Waarom ? Afstand van grondgebied, door een bondgenoot aan een niet duitschen Staat gedaan, doet inbrenlt op de kracht van het Bondgenootschap, om de uitwendigeveihghexl, vanDuitschlandte handhaven, of verandert zijne betre.ng, ®ls Mogendheid, naar buiten. De Bondsdag gaf

tüïïSr1 ™° L",e°b"g-

Ste. 1839 26Novk8t d6r OTereenkomst in het Bijvoegsel tot de

Sluiten