Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 5, 6.

zij de regeling van de burgerregtelijke bevoegdheid der vreemdelingen overgelaten aan de wet. En deze 1 heeft voor die bevoegdheid denzelfden regel aangenomen, dien art. 4 voorschreef ten aanzien der bescherming van persoon en goederen i.

Voor 't overige is de grondregel, dat het burgerlijk regt niet anders, dan door de wet, kan worden geregeld, ook bevat in art. 164.

Art. 6—40. Na in art. 5 de bron te hebben bepaald, waaruit het privaatregt, 't zij van vreemdelingen , 't zij van ingezetenen, alléén zal moeten worden afgeleid, handelt de Grondwet in het overig gedeelte van het Hoofdstuk over de staatsburgerlijke regten. die, zegt art. 1 van het B. WB., «alleen overeen«komstig de Grondwet worden verkregen." Intusschen heeft zij het woord burger gemijd. Het wordt enkel in art. 432 gebruikt van stedelijke ingezetenen.

Art. 63 wijst het gezag aan, waardoor twee bij-

') Wet hond. algem. bepaling, art. 9. De Constitutie van Altenburg v. 29 April 1831 art. 94 stelt de vreemdelingen privaatregtelijk volkomen gelijk met de onderdanen.

!) De burgerlijke wet, den vreemdeling aan ons regt onderwerpende, erkent dus in hem geen persoonlijke eigenschap, noch regtshandeling, op ons regt niet gegrond. Een stelsel, afwijkende van dat der meeste andere Landen. Aan de andere zijde volgt, dunkt mij, uit het aangehaalde art. 9 evenzeer, en zou reeds, had art. 5 der Grondwet de regeling van het burgerlijke regt niet overgelaten aan de wet, uit art. 4 der Grondwet onmiddellijk volgen, dat de vreemdeling ook in civilibus regt kan vragen bij onze regtbanken tegen den vreemdeling, beide zoo als van zelfs spreekt, zich bevindende op het grondgebied van hetRjjk.

3) Art. 6. De oefening van het stemregt in de steden en

Sluiten