Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6.

halve de keus van afgevaardigden tot de Staten van de provinciën, door de provinciale Ridderschappen en stedelijke Regeringen, beide op den ouden voet, en van afgevaardigden tot de Statengeneraal, door de Staten der provinciën, te doen, geen ander dan een locaal stedelijk stemregt, ondergeschikt aan voorwaarden , in ieder stad afzonderlijk voor te schrijven.

De bevoegdheid om te zitten in de provinciale Staten, in de Ridderschappen en in de stedelijke Regeringen blijft, volgens diezelfde Schets, op den voet der oude Reglementen, in welke, met overleg van den Souvereinen Vorst en behoudens de Grondwet, veranderingen te maken, aan het goedvinden der genoemde corporatien wordt vrijgesteld. Art. 39 en 40.

De Grondwet van 1814 volgde, gelijk meestal, het ontwerp van Hogendorp, behalve dat zij van nieuws oprigtte waar Hogendorp enkel herstel van het oude had begeerd. Zij liet:

1°. de zamenstelling der provinciale Staten aan den Souvereinen Vorst, die uit elke provincie eene commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advijs: art. 74, vergel. art. 77.

2°. de zamenstelling der stedelijke Regeringen aan de bijzondere reglementen, te ontwerpen en te bekrachtigen, als in art. 78 wordt geboden. Door die zelfde reglementen moest de inrigting en verkiezing worden geordend der kiescollegien, welke de Grondwet van 1814 bij art. 79 en 80 uit de Schets overnam : 3°. de inrigting der besturen van heerlijkheden, districten en dorpen, desgelijks aan nadere reglementen, wier vervaardiging in art. 81 wordt beschreven.

Sluiten