Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6.

beschikkingen opgedrongen, buiten de grondwetgevende magt gemaakt, en nooit aan hare goedkeuring voorgelegd, noch als deelen der Grondwet afgekondigd. Beschikkingen, verspreid in reglementen, die, wat hunne overige deelen betrof, van een gezag van geheel anderen aard bleven afhangen.

Ten derde: wanneer dit reglementaire gezag uitkwam op zoo eenzelvige verordeningen, als wij hebben, waarom dan niet liever de gewone wetgeving ingeroepen? De wijze, waarop die reglementen, bij koninklijk Besluit bekrachtigd, waren tot stand gebragt, was ten eenen male duister. De gronden, op welke men bij de uitdeeling der regten, in art. 6 genoemd, was afgegaan, waren onbekend. Eene wet, die den toets der publieke raadpleging had doorgestaan, telken jare, des noods, voor verbetering vatbaar, kon oneindig beter dan zulk een halfslachtig, in de schemering opgetrokken zamenstel, de deugdelijkheid van het werk waarborgen.

Deze redenen, en de gebreken, welke men in de bepalingen der reglementen ontdekte, leidden in 1840, bij de herziening der Grondwet, tot het voorstel, van wege de Afdeelingen der Tweede Kamer verlangd, om, met weglating van art. 7, art. 6 dus te wijzigen, als bij de wet v. 4 Sept. 1840 1 art. 1 geschiedde.

Welk is het gebied der wetgeving, die art. 6 nu voorschrijft 7

I. Ten aanzien van het stemregt, heeft zij, vooreerst, enkel te doen met dat in de steden en ten platten lande. Dus niet met den eersten stand of de

') Stbl. n'. 53.

Sluiten