Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 6.

bonden door de eerste zinsnede van art. 432 der Grondwet.

Redenen van uitsluiting, art. 3.

Omtrent de voorwaarde van ingezetenschap heeft de Administrateur voor het binnenlandsch Bestuur, bij Aanschrijven v. 22 Octob. 1824-1, verklaard, dat vreemdelingen aan het Rijk, in eene der steden wonende, niet als stemgeregtigden mogen worden beschouwd. Dan dit belet zoo min, als art. 109 van het reglement, dat de vreemdeling, schoon volgens art. 8 der Grondwet tot geene bediening benoembaar, na een jaar inwoning, mits hij de gevorderde belasting opbrenge, stemregt heeft.

Een ander punt, dat scherpe herziening zeer verdient, is de hoogte van de opbrengst in de beschreven middelen, als voorwaarde van de stemgeregtigheid. Werd het patentregt van die middelen te regt uitgesloten? Is de bepaling der opkomst in 'talgemeen en overal op juiste gronden gemaakt? Zoo die gronden juist waren vóór vijftien of twintig jaren, zijn zij het in de verschillende oorden van het land nog? Men schijnt bij het regelen van dien census soms opgeklommen te zijn met de bevolking. Doch men bleef aan deze reden geenszins getrouw. Waarom, bij voorbeeld, eiscbte men in Middelburg /30, terwijl, bij eene toen omstreeks gelijke bevolking, in Zwolle of Arnhem niet meer dan ƒ15 worden gevorderd ? Waarom in 'sHage ƒ33, in Utrecht, zooveel minder volkrijk, f 45? In Groningen evenveel als in Middelburg, en in Leyden, met meer inwoners dan Gro-

') Handleid. tot de kenn. yan het Staatsbest. III. bl. 508.

Sluiten