Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6.

Regiem, omtr. de zamenstell. van de Staten der prov. art. 26 , 37-44. coll. art. 46.

d. Toezigt, en beslissing over verschillen of bezwaren. Regiem, op het best. ten pl. lande art. 50. Regiem, omtr. de zamenstell. van de Stat. der prov. art. 64.

Deze onderwerpen wacht regeling bij de wet. De wet moet er zich bij bepalen, indien, zoo als de aangehaalde uitlegging wil, onder oefening van het stemregt dat der kiezers niet mede mag worden verstaan. Is echter deze beperking verdedigbaar ?

Art. 130 derde alinea der Grondwet laat de bepaling »der wijze, op welke de leden der provinciale «Staten, die ter benoeming van den stedelijken stand «staan, zullen gekozen worden," uitdrukkelijk over aan de reglementen voor het bestuur der steden. Over dit stuk heeft dus de wet geene magt.

Art. 131 gebiedt de invoering van kiescollegien in de steden, en zegt, door wie, hoe dikwijls, en met welk doel zij zullen worden bijeengeroepen.

Deze punten dient de wet dus te laten staan. Doch waarom zouden de verdere voorschriften ten aanzien dier instelling, nu vervat in de reglementen voor het bestuur der steden, niet behooren tot de wetgeving over de oefening van het stemregt in de steden 9 De Grondwet zegt geenszins, dat die voorschriften door eene andere, dan door de gewone wetgevende, magt zullen worden gegeven. Stemregt heet kiesregt. In het woord zelf is geene beperking bij een eersten trap, of uitsluiting van andere trappen vervat.

Over de verkiezing door den landelijken stand

Sluiten