Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 6.

klaard. Hoe zwak politische regten door reglementen

van administratieven oorsprong zijn gewaarborgd, blij kt

niet duidelijker dan uit de bepaling zoowel, die bij eene wetgevende vergadering gewis nimmer doorging, als uit hare afschaffing. Bij art. 91 van het reglement omtr. de zamenstell. van de Stat. der prov., bij art. 110 van het reglement van het bestuur der steden, en art. 126 van dat op het bestuur ten platten lande, behoudt de Koning aan zich het regt, om, zoo eenige verandering noodig mogt zijn, daarin nader te voorzien. Door dit artikel nu tracht het genoemde Besluit de koninklijke magt tot afschaffing te bewijzen. Doch hoe kon aldus worden vernietigd wat, volgens art. 7 der Grondw. v. 1815, een deel was van de Grondwet? Met hetzelfde regt kon een koninklijke pennestreek alle politische regten, door die reglementen verleend, hebben geschrapt. Maakte voorts de Koning de provinciale en plaatselijke reglementen volgens de Grondwet alléén ? Zoo niet; mogt ook geen reglementair artikel den Koning de magt geven, om ze bij Besluit te veranderen.

Art. 4i van het reglement omtr. de zamenstell. van de Stat. d. prov. zegt: »ook zullen de leden »der Staten elkander niet nader dan in den tweeden «graad van bloedverwantschap mogen bestaan, voor «zooverre zij door hetzelfde collegie zullen benoemd »zijn." Volgens de reglementen v. 26 August. 1814 art. 1 sloten bloedverwantschap en zwagerschap niemand van de vergadering der Staten uit. Behooren broeders in dergelijk collegie, als dat is der provinciale Staten, te zamen te zitten? Of zij gekozen zijn door een en hetzelfde, dan door verschillende

d

Sluiten