Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 8.

Zonder onderscheid: moeten deze woorden in zoo onbepaalden zin worden opgevat als ze zijn gesteld, dan sluiten zij reeds de werking uit van het onderscheid van godsdienstige belijdenis, van stand, rang of geboorte; op nieuw uitgesloten in art. 40 en 190.

Bij die opvatting herinnert men zich terstond, dat evenwel niet alle onderscheid buiten aanmerking blijft. »Moribus civilia officia adempta sunt foeminis"1. In zooverre minderjarigheid en andere oorzaken, welke de uitoefening der burgerlijke regten hinderen, staatsregtelijke beletselen zijn, geldt het omgekeerde van den regel, bij art. 4 van het Burgerlijk Wetboek gesteld. Ja om benoembaar te zijn tot sommige bedieningen , wordt een hoogere ouderdom, dan waarin de minderjarigheid eindigt, door de Grondwet of gewone wet gevorderd.

Dan zonder onderscheid heeft hier denkelijk niet dien algemeenen, maar een zeer bepaalden zin, die bij vergelijking met art. 6 wordt gevonden. Art 8 bedoelt het onderscheid, dat de wet, volgens art.6, ten aanzien van de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen kan doen gelden; terwijl zij, bij voorbeeld, eischt, dat men ingezeten zij eener plaats of provincie, of eene zekere som opbrenge in de beschreven middelen. Zulk onderscheid, zegt art. 8, kan niet worden gemaakt met opzigt tot bedieningen van eene andere, dan die pro¬

den regel, op alle bedieningen toepasselijk, allezins vielen,zoo men ze er niet uitdrukkelijk buiten stelde. Yergel. de redevoering van den Heer Reyphins in de Tweede Kamer der Statengeneraal 10 Dec. 1817; Jaarb. van Stuart 1817 p. 247, 248.

') L. 1. § 1. D. ad SCtum Vellej.

Sluiten