Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 27, 28.

melingschap van de zuster of van de tante van Willem I; hetzij eene verandering in de erfopvolging worde gemaakt; hetzij, bij ontstentenis van een bevoegden erfopvolger, de Koning en de Statengeneraal gezamenlijk, of de Statengeneraal alléén, een opvolger benoemen, voor de nakomelingschap van den nieuwen opvolger gelden wederom dezelfde grondwettige regels van erfregt, als voor het Huis en de afstammelingen van Willem I zijn vastgesteld.

Art. 28'. Een gelijksoortig verbod, als dat van het eerste lid van art. 28, was reeds bij de opdragt vari het erfstadhouderschap in 17472 gegeven , ja uitgebreid over de huwelijken van vrouwelijke descendenten, over de voogdesse moeder van een minderjarigen Stadhouder, en het Hoofd der militie onder eene Gouvernante. De Grondwet v. 1814 sloo echter, hoezeer men bij het opstellen aan het geva dacht3, het dragen eener vreemde Kroon niet uit; en dit was eene der redenen, weshalve Prof. vanSwinden, in de vergadering der Notabelen, het ontwerp afkeurde4. De uitsluiting, reeds voorgesteld in het

') Art. 28. De Koning der Nederlanden kan geene vreemde

Kroon dragen. , ,

In geen geval kan de zetel van de regering buiten het

Rijk worden verplaatst. R

t) Z. Resolut. d. Stat. v. Holl. twen aangehaald, Gr.Yl.U.

VII. p. 158.

'') Zie boven bl. 67 noot 1. „OVal

« Er is, zeide hij in zijne Memorie, een zeer gewigtig geval

over het hoofd gezien, .te weten het geval, wanneer met den ..tijd de Sonvereine Vorst of een zijner descendenten ook »tot de gouvereiniteit van een ander Land geroepen ï ,

Sluiten