Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 33 , 34 , 35.

waar het artikel staat, spreekt voor de eerste beteekenis. Welligt wordt inzonderheid bedoeld, dat de rekenpligtigheid, omtrent het gebruik der geldmiddelen door art. 126 geboden, op het koninklijk inkomen niet toepasselijk is

Art. 34 \ Over het inkomen eener Koningin weduwe zweeg zoowel de Schets van Hogendorp, als de Grondwet v. 1814. Maar de Constitutie van 180ö art. 48 had, in overeenstemming met het Tractaat van '24 Mei 1806 art. 5, de bepaling van het lijftogtgoed der Koningin in 't algemeen overlatende aan huwelijksche voorwaarden, het voor dit maal gesteld op f 250,000. op te brengen uit het domein van de Kroon s.

Art. 354. Reeds de Schets van Hogendorp art. 11 en de Grondwet v. 1814 art. 175 noemden den oud-

') Eenen anderen zin heeft dergelijk artikel der Constitatie van Zweden v. 1809, §48, die Hogendorp voor oogen kan hebben gehad: «Der Hof des Königs steht unter dessen eige»ner Verwaltung, indem er hier diejenigen anstellen kann, dia »ihm gut dunken."

■) Art. 34. Eene Koningin-weduwe geniet, gedurende haren weduwelijken staat, uit 's Lands kas, een jaar lijksch inkomen van f 150,000.

3) Vergelijk de aanmerking in het Rapport der leden va:i de Statengeneraal, bij (de Geer) Anteced. p. 205 , en Raepsaet, Journal, 1. c. p. 98. 114, boven op Art. 32 blz. 79.

4) Art. 35. De oudste van des Konings zonen, of verdere

mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan. en voert den titel van Prins van Oranje.

3) De oudste zoon van den Souvereinen Vorst is de eerste onderdaan van zijnen vader. Vergel. Raepsaet, 1. c. p. 68.

Sluiten