Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 48.

De Raad oefent alzoo het koninklijk gezag 1 : 1°. wanneer de Koning sterft zonder opvolger, zoolang de Statengeneraal in de opvolging niet hebben voorzien;

2°. wanneer, bij overlijden of bij invallende ongeschiktheid des Konings tot het waarnemen der regering , een regent moet benoemd worden, tot dat die is benoemd.

Dan die «uitoefening" van het koninklijk gezag lijdt, zoo als de Grondwet nu is opgesteld, zeer gewigtige uitzonderingen, bevat in art. 26 , 40 , 43 eerste alinea, 45 tweede en derde lid, 46, te vergelijken zoowel met ons artikel eerste lid, als met art. 50, en in art. 100, waar de Statengeneraal telkens alléén handelende voorkomen. Op die gewigtige punten staat dus het koninklijk regt, ondanks de opdragt ter waarneming aan den Raad, stil. Is dit wel de meening ? Of heeft men bij de Grondwet van 1814, en voorts bij die van 1815, slechts verzuimd, de nieuwe bepaling, dat de Raad van State het koninklijk gezag zou waarnemen, in verband te brengen met de voorschriften der aangehaalde artikelen, hoofdzakelijk en soms woordelijk ontleend van de Schets van Hogendorp ?

Had de Grondwet den vorm, waarin de benoeming van den opvolger, van de voogden en van den regent moet worden vastgesteld, naauwkeurig bepaald, had zij daartoe eene wet geeischt, men zou de leemte dadelijk hebben opgemerkt. Of zoo het geen leemte

') Gelijk in Zweden, in de gevallen omschreven bij § 39-42 der Constitutie v. 1809. Vergelijk § 91—95.

Sluiten