Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 51, 52 , 53.

al mijne onderdanen en van ieder derzelven zal beschermen en beveiligen?

De huldigingseed der Statengeneraal is onder de handen der Commissie v. 1815 weinig veranderd. De hoofdverandering, de bijvoeging, in den naam van het Volk der Nederlanden, was het gevolg der verandering van den koninklijken eed.

Bij het aanvaarden der regering: niet anders verstaanbaar, dan in den zin van: »zoo spoedig mo»gelijk na de aanvaarding." De regeering kan geen dag stil staan; zekere daden van regering moeten onmiddellijk na den overgang der Kroon, en eer het mogelijk is de beëediging te doen plaats vinden, worden verrigt. De Kroon gaat van regtswege over; maar niet dan met al hare grondwettige pligten. De opvolger is van stonde aan, ook eer hij den eed aflegde , verbonden naar de Grondwet te regeren; het is eene verbindtenis, die reeds uit de wet zelve ontspringt. Had zij gewild, dat de nieuwe Koning met regeren wachtte tot na de inhuldiging, zij moest hebben gezegd: «vóór het aanvaarden." Zij had dan tevens eene tusschenregering, een regentschap voor den tusschentijd, moeten verordenen.

Zou dus de nieuwe Vorst de plegtige erkenning zijner verbindtenis onbepaald, willekeurig, kunnen uitstellen? Duurde het uitstel langer, dan de omstandigheden schenen te gebieden, de Statengeneraal zouden, op grond van art. 52, er een voorstel over aan den Koning behooren te doen. Ware een Koning in verdenking, den eed te verschuiven uit ongenegenheid, dien af te leggen, alsdan zoude men, aan de zijde der Statengeneraal, tot het besluit kunnen

Sluiten