Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 54.

de Grondwet v. 1814 art. 31 1, is ontsprongen uit een ander systeem van begrippen, dan waarop de nieuwe constitutionele instellingen gemeenlijk rusten. Karakteristiek voor ons Land, hangt zij zamen met het denkbeeld, om aan de provinciale Vertegenwoordiging een eigen bestaan, onderscheiden van de Alaemeene Vertegenwoordiging, te verzekeren. Wanneer de Koning, ten aanzien der wetgeving, voor ieder provincie in dezelfde betrekking is met de provinciale Staten, waarin hij voor het Rijk, als geheel, is met de Statengeneraal, schijnt de provinciale inhuldiging niet ongepast.

Den vorm, waarin deze hulde ter kennis van den Koning zal worden gebragt, bepaalt ons artikel bij het derde lid. Doch wanneer moet de hulde zelve worden gedaan? Naar verkiezing? Art. 54 zegt, dat zij plaats moet hebben, nadat de beëediging en inhuldiging, in de voorgaande artikelen beschreven, door den Koning zijn gebragt ter kennisse van de Staten

') Nadat deze beëediging en inhuldiging door den Souvereinen Vorst zullen zijn ter kennis gebragt van de Staten der Provinciën of Landschappen, brengen deze aan Hem hunne hulde toe, in maniere als volgt: >

»Wij zweren, dat wij U, den wettigen Souver emen Vorst nder Vereenigde Nederlanden, steeds gehouw en getrouw «zullen zijn in de bescherming van Vwen persoon en Staat; «dat wij achtervolgens de verpligtingen, ons bij de grond«u'et opgelegd, de bevelen door U ofte Uwentwege aan ons »gegeven, zullen gehoorzamen; voorts alle Uwe dienaren «en raden, in de nakoming van dezelve, zullen helpen en »bijstaan, en wijders alles doen wat getrouwe onderzaten taan hunnen Souvereinen Vorst schuldig zijn en behooren «te doen."

Sluiten