Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 59.

min geschikt kon zijn om invloed op de regering der koloniën te oefenen? Of althans de hollandsche begrippen en belangen niet in zulke handen zouden kunnen lijden? In allen gevalle waagt men de gissing niet te ver, wanneer men vermoedt, dat die zamenstelling der Kamers, evenzeer als de gezonken staat der koloniën, de verklaring van Hogendorp, die hij in 4813 welligt niet had gegeven, uitstekend begunstigde, of liever te weeg bragt, dat men de Kroon liet begaan. Deze alleen trok zich bezittingen aan, welke vele jaren als een lastpost werden beschouwd. Zoo vestigde zich, men kan niet zeggen, eene uitlegging van art. 60, maar eene gewoonte, voor welke men later eene uitlegging opzocht. Eene gewoonte, om welke te toetsen, of te breken, eene eenheid en politische kracht bij de Statengeneraal werd vereischt, die zij onder het Rijk der Nederlanden v. 4845 niet bezaten.

Intusschen had het gouvernement zich reeds van de wetgevende magt bediend, om geldleeningen ten behoeve der koloniën, onder waarborg van den Staat, te kunnen sluiten. De buitengewone Rijksbehoeften sinds 4830 en de ontluikende bloei der oostindische huishouding gaven aanleiding tot nieuwe verbindtenissen tusschen de schatkist hier te lande en de koloniën. De Koning bragt soms eene bijdrage uit den | indischen oogst, als een geschenk, op de begrooting. Aan den anderen kant schreef de wetgevende magt ten behoeve van het Rijk in Europa, doch ten laste, zoo het moest heeten, der koloniën, geldleeningen uit van honderden van millioenen, waarvoor de schatkist hier te lande wederom borg bleef.

Sluiten