Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 59 , 60.

inrigting der begrooting van invloed zijn, het pleit tegen hare vaststelling bij de wet niet. Men bereikt met de verantwoording daarna, wat door de begroo ting vooraf niet bereikbaar was ,

Die beperking der wetgevende magt, welke m twee bijgevoegde alineas van art. 59 ligt, schijn us niet geregtvaardigd. Zij is ten andere met de eigenaardige gemeenschap tusschen de finantien hiei lande en die der koloniën onvereenigbaar. Zoo,dat,

al was elders, bij de regeling van koloniale mi(telen en lasten, tusschen komst der gewone wetgeving ongehoord, de onze er evenwel in behoorde te treden De engelsche en fransche koloniën bren^eu geen penning op aan de schatkist van het ïooeder-

land 2. Zij kunnen, in zooverre hare middelen alleen

strekken voor de eigen behoeften, als een afzonder ij huishouden worden beschouwd. Maai van loniale inkomsten, omstreeks zoo groot als d het Rijk aan deze zijde van den oceaan, hang finantieel lot af. Onze bezittingen zijn als domeinen aan te merken, waarop ons crediet en onzejaamj sche balans voor een groot deel rusten. Al was er geen andere, moest dit alleen niet grond geno g » om de overzeesche middelen en uitgaven aan e stel der wetgevende magt te onderwerpen? Zie voorts,

op Art. 122 en 126.

Art. 603 is nagenoeg woordelijk art. 40 der Grond

l) Ibid.

Sluiten