Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 60.

genoegen, zoo lang, gelijk tot dus ver, de wet, waarbij, volgens art. 125, de uitgaven van een ministerieel departement worden vastgesteld, niets omschrijft dan ééne algemeene som. Maar die wet kan, moet welligt1, zoo ingerigt zijn, dat zij de bijzondere hoofden van uitgave, en onder deze de ambtswedden, behelst. Hoe dan? Rusten zij daarom, gelijk de bezoldiging van de ambtenaren der regterlijke raagt en van de leden der Rekenkamer, op de wet? Neen. De sommen, bij de begrooting er voor geraamd, drukken uit wat de Kroon er des noods voor kan besteden. Het is het maximum. Maar de ambtenaar verkrijgt er geen wettige aanspraak mede op dat maximum. Zijne bezoldiging, op dat maximum of daar beneden gesteld, hangt van een koninklijk besluit af.

De uitzondering op den regel van het artikel, bevat in het tweede lid, hangt zamen met de eigen wijze van inrigting der regterlijke ambten, welke niet door den Koning, als Uitvoerende Magt, maar door de Wetgevende Magt geschiedt. Z. op het V Hoofdstuk, Art. 164.

In 1840 wenschten de Afdeelingen der Tweede Kamer schier eenparig eene bijvoeging, dat de pensioenen, burgerlijke en militaire, zouden worden geregeld door de wet2.

Kan dit ook nu niet, zonder die bijvoeging, geschieden? Ware zij meer dan verduidelijking? Daar

') Zie op Art. 125.

:) Handelingen, bij Belinfante uitgegeven, I p. 42. 84.109. 136. 167, 168. 189. 196. 206.

Sluiten