Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 60, 61.

het artikel het regelen der bezoldiging, en niet dat der pensioenen, aan den Koning opdraagt, schijnt dit gelaten aan de wet. \'ergelijk art. 57 der Staatsregel, v. 1805, en art. 43 der Constitutie v. 1806. Of sluit de grond, die het eerste aan den Koning heeft doen toekennen, ook de magt tot regeling der pensioenen in? De maatstaf van het pensioen zal, behalve in den afgeloopen diensttijd, in de hoogte der bezoldiging moeten worden gezocht. Dan juist daarom kan het bedrag der pensioenen aan algemeene regels worden onderworpen, die het, en om den aftredenden ambtenaar tegen willekeur, en het gouvernement tegen de misleiding van gunst en aanzoek te dekken, heilzaam is te vestigen bij de wet. Er is te grooter reden voor, hoe meer, te gelijk met de uitbreiding der ambten tot een gewoon middel van bestaan, de pensioenen, ten gevolge van verandering van gebied of der vormen van bestuur, zijn vermenigvuldigd.

Art. 61'. Onze Grondwet heeft art. 41 der Grondwet v. 18142 behouden, met uitlating der woorden: en het opperbestuur over dezelve.

Het wetyevend deel van het Hoogheidsregt van de Munt, bepalende het gewigt, het gehalte en de waarde der muntspecien, oefent de Koning gezamenlijk met de Statengeneraal. Art. 198.

') Art. 61. De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspecien te doen stellen.

") De Souvereine Vorst heeft het regt van de Munt en het opperbestuur over dezelve.

Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspecien te doen stellen.

Sluiten