is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanteekening op de grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 62 , 63.

dellijk volgt, waaruit blijkt, dat de standsverheffing door den Koning slechts ééne der voorwaarden is van de werkelijke uitoefening der politische adelsregten. Om in de ridderschap beschreven te kunnen worden, moet de edelman nog andere vereischten bezitten, aangewezen bij de ridderschapsreglementen der onderscheidene provinciën.

Alle de voorregten: het was eene der redenen, om welke van Swinden het ontwerp der Grondwet v. 1814 afkeurde, dat de voorregten van den adel niet alle of volledig in de Grondwet opgeteld schenen. Ook alle is oorspronkelijk van de Schets van Hogendorp. Maar wat hem toen voegde bij een eerst en voorloopig onderzoek, voegt het evenzeer aan eene Grondwet? Van de voorregten van een stand te spreken, en, welke die voorregten zijn buiten het eene, met name vermeld, onzeker te laten? Wie kan zulke voorregten instellen, zoo de Grondwet het niet doet? Het ware genoeg geweest, hier ter plaatse, in de Afdeeling van de koninklijke magt, vooral, slechts te zeggen, dat de Koning in den adelstand verheft. Het denkbeeld, om het artikel dus te bekorten, werd in 1840 geopperd, doch zonder gevolg »,

Art. 63 2. De Koning van Holland bad riddei'orden, te voren hier onbekend. ingesteld bij decreet 3.

') Handelingen, 1. c. 1 p. 42. 137. coll. p. 109. Vergel.

Proeve, boven, bl. 23, aangehaald, art. 57.

:) Art. 63. Ridder-orden worden door eene wet, op net voorstel des Konings, ingesteld.

3) Decreet v. 11 Dec. 1806 (Verzam. v. Wetten I p. 115 aqq.) t. 13 Febr. 1807 (ibid. II p. 180).