Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art 67.

behoeft, de verleening van een regt tegen de wet, van eene bevoegdheid om de wet niet in acht te nemen , om te doen wat zij verbiedt of na te laten wat zij gebiedt, kan, meent men elders, geenszins worden overgedragen, dan in gevallen, vooraf door de wet omschreven. Onze inrigting, niet in belang der publieke orde, maar enkel ter gunste van bijzondere personen, aangenomen, rust op de onderstelling van gevallen, die, niet door de wet voorzien, onmiddellijke afdoening volstrekt eischen.

Is die onderstelling juist? Indien zulke gevallen voorkomen1, zijn het niet vooral die, welke de wet kon en behoorde aan te wijzen? De reden toch, waarom zij de uitoefening van het dispensatieregt in bepaalde gevallen aan den Koning toekent, is, dat die uitoefening van de zijde der wetgevende magt met bijzonder bezwaar zou verbonden zijn.

Wat zegt de ondervinding? In 1840 verklaarde, en men heeft haar niet weersproken, eene Afdeeling der Tweede Kamer, dat gedurende de laatste vijf en twintig jaren, waarin de Statengeneraal jaarlijks door elkander langer dan zeven maanden waren vergaderd geweest, nooit eenig voorstel tot dispensatie in een bepaald geval door de regering was gedaan. Over het algemeen was in dien tijd slechts vier malen dispensatie aan de Statengeneraal gevraagd, en wel alleen betrelïende een punt van burgerlijk regt, waarvan de dispensatie later door de wet aan den Koning was

') L. 4 D. de legib. Ex hïs, quae forte uno aliquo casu accidere possunt, jura non constituuntur.

Sluiten