Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 75.

borg men zich, jaren lang, achter duistere of valsche voorstellingen, om het licht niet te zien. Anders ware men tot het eenvoudige beginsel der ministeriële aansprakelijkheid ligt doorgedrongen, en had in haar, beschreven of niet, een onmisbaar deel der Staatsregeling erkend.

De Koning bedient zich, hij kan niet anders, van ministers, of hoofden der departementen van algemeen bestuur, tot uitvoering der wetten; waaronder al de wettige pligten van het koningschap worden verstaan. Met deze uitvoering begint de verantwoordelijkheid. Zij treft dus in de hoogste plaats de ministers, als eerste agenten der koninklijke regeermagt; zoodat hare daden evenzeer, als wat zij moest doen, persoonlijk ten hunnen laste komen.

Men heeft de ministeriële aansprakelijkheid, ten onregte zoo het schijnt, eene fictie genoemd, die de schuld van den Vorst op den minister legde. Het is geene verantwoordelijkheid van een ander, die de minister overneemt. Zij kleeft aan zijn eigen feit, aan de medewerking, waartoe hij zich verbond 1 . Zijne verantwoordelijkheid, onafscheidbaar van het ambt, is die van een ieder, welke eene wet uit te voeren of te betrachten heeft. Hij is van zelfs onderworpen aan het oordeel, dat zijne handelingen vergelijkt met de wet.

Deze stellingen zijn zoo helder en onbetwistbaar, dat het overbodig kan schijnen, ze in de Grondwet uit te drukken. Intusschen hoorde men den minis-

') Vergel. mijn opstel in het Regtagel. Bijblad , 1841, bl. 131.

Sluiten