Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 75.

ter van Buitenlandsche Zaken nog in de zitting der Tweede Kamer v. 20 Jan. 1831 verklaren: »dat •het beginsel der ministeriële verantwoordelijkheid rxjeen deel van ons Staatsregt uitmaakt." Het is waar, gouvernement en Statengeneraal hadden zich tot dus ver gedragen, en gedroegen zich sedert dien tijd, alsof dat beginsel ons vreemd ware. Men liet de ministers zich met het gebod des Konings dekken. Geloofde men, dat zij, de schuld op den Koning werpende, er zich zeiven van bevrijdden? Dat zij, wie ook beval, eene uitvoering op zich mogten nemen, ongeoorloofd of met de wet niet in harmonie?

Bij de herziening echter was de aandrang van de Afdeelingen der Tweede Kamer eenparig, om het woord in de Grondwet te brengen 1. De Kroon, nog lang weigerachtig4, gaf eindelijk, op eene bijzondere aanleiding, toe. Zij droeg eerst het ontwerp voor, in eene der sectien geopperd3, en toen dit werd afgekeurd, ontleende zij een tweede van het verbaal eener andere sectie®. Het werd aldus, zonder verbetering , aangenomen 5.

Ons artikel, dat het begrip der ministeriële ver-

') Handelingen, bjj Belinfante uitgegeven, I p. 44,45.68, 69. 85, 86. 110, 111. 137, 138. 167. 177, 178. 187, 188. 195, 196. 207. 252-255. 263, 264. 266, 267. 274, 275. :) Zie haar antwoord, Handelingen, 1. e. p. 228. ') Handelingen, I p. 318 sqq.; vergel. p. 137.

«) Ibid. p. 331; vergel. p. 110, 111, 329. 348 sqq.

s) Wet v. 4 Sept. 1840 (Stbl. n°. 58). Vergel. Handelingen, II p. 286 sqq.; de verbalen van de sectien der dobbele Kamer, (Handelingen, III p. 117, 118 enz.) en de openbare discussie in de Stc. v. Sept. en Octob. 1840.

Sluiten