Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 84.

Zal de keus der provinciale Staten niet altoos op den voortreffelijkste vallen, zullen ook hier toeval, gunst, kuiperij, in 't spel komen, vadsigheid of partijschap niet kunnen worden geweerd, welke vorm waarborgt er tegen ? Welke heeft de wonderkracht om het verkeerde gemoed regt, den zwakken geest sterk en onafhankelijk te maken ? Niet of de provinciale Staten in bijzondere gevallen slecht kiezen, maar of zij, van wege de wet van hunnen aanleg, de voorwaarden bezitten om goede keuzen te kunnen doen, is de vraag daar het op aankomt.

Het is een buitengewoon verschijnsel, waarvan de wederga in andere landen naauwelijks wordt aangetroffen , dat collegien, met verrigtingen van publieke magt belast, tevens kiescollegien zijn voor de algemeene Vertegenwoordiging. Elders zijn deze in den regel alleen dit en niets meer. Bij ons scheen vereeniging dier twee bevoegdheden mogelijk, omdat de Grondwet de provinciale Staten ten aanzien hunner zamenstelling en werking zoo onafhankelijk maakte, als bijzondere personen immer konden zijn. Juist hun constitutioneel gezag moest hun vastheid te meei geven, om eene uitdrukking te worden van den nationalen wil, zuiverder en krachtiger, dan van eenige andere bijeenvoeging van volkselementen mogt worden gewacht.

Is echter tweederlei nadeel wel te vermijden ? Vooreerst de kleinheid van het aantal der kiezeis. Om voor de regering der provincie niet ongeschikt te zijn, mag het getal van de leden der provinciale vergadering een zeer enge grens niet overschrijden.

Als kiezersvergadering duldt, ja eischt het welligt

44*

Sluiten