Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 81.

uitbreiding. Zie op Art. 128 en 142. Ten andere de geest en hebbelijkheid, die zich van een gesloten regeringscollegie zoo ligt meester, en het doof maken voor hetgeen er buiten omgaat, voor een veranderden toestand of nieuwe eischen des Lands, met name zoo die niet regtstreeks de provincie betreffen. Kan hiertegen bij de aftreding worden voorzien? Zie op Art. 84, 128, en 130—132.

Stel, deze nadeelen zijn onvermijdelijk. Is een ander kiesstelsel aan minder bedenking onderhevig?

Wat er toe behoort, om goede verkiezingen te kunnen doen, zal dat eer bij burgervergaderingen, met de keuze der vertegenwoordigers onmiddellijk gelast, mogen worden ondersteld? Het heeft een schoonen schijn, het wekt de belangstelling, wanneer het volk de afgevaardigden zelf benoemt. Het is de eenige onmiddellijke medewerking der burgerij tot het beleid der algemeene Landszaken; de handeling, waarbij het individu, dat toch niet enkel burger zijner plaats of provincie is, zich in den vollen zin Staatsburger gevoelt; heilzaam en tot wekking van burgerzin, en van wege haren invloed op de regering.

Dit is gewis niet onverschillig. Doch waarom is het vooral te doen? Om het middel, de oefening van het kiesregt, als zoodanig, of om de uitkomst? Om de kiezers, of om de keuze? Moet men velen laten kiezen, al wordt de waarborg voor de beste keuze er door verzwakt?

Kiesvergaderingen van particulieren, welke geen andere bestemming noch grond van verbindtenis hebben, dan die ééne verrigting, zullen aan den wind

Sluiten