Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 83 , 84.

evenmin, als die in werkelijke dienst? Waarom enkel van officieren, en niet van krijgslieden in 't algemeen gewaagd? Het artikel zegt: geene Landofficieren. Moet men er slechts de officieren onder verstaan van de landmagt, daar art. 202 en 204 van spreken, of ook die van de militie, van de schutterij en den landstorm? Zie voorts op Art. 94.

Of niet de verkiesbaarheid betrekkelijk diende te worden ontzegd bovenal aan de leden van het kiescollegie zelf? Z. op Art. 142.

Art. 841 is art. 57 der Grondwet v. 1814, in 't wezen overeenkomstig met art. 23 der Schets van Hogendorp. Jaarlijksche aftreding van een gedeelte vinden wij in al onze vroegere Staatsregelingen voorgeschreven 2. Het is eene, en voor de kiesmagt,

') Art. 84. De leden dezer Kamer hebben zitting gedurende drie jaren.

Een derde van hen valt jaarlijks uit, volgens en daarvan te maken rooster.

De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar.

■) Staatsregel, y. 1798 art. 37. Jaarlijks treed een derde gedeelte (of hetgeen daarbij het naaste komt) van het volle getal der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam af. Overeenkomstig met de fransche Constitutie y. 1795 art. 53.

Staatsregel v. 1801 art. 54. Jaarlijks op den 1 Junijgaat een derde gedeelte van deszelfs Leden af.

Staatsregel, v. 1805 art. 34. Op den 1 December van elk jaar gaat een derde gedeelte af der Leden van de Vergadering van H. H. M. Vergel. art. 18.

Art. 36. De aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

Constitutie y. 1806 art. 55. Op een eersten dag van iedere gewone zitting treedt het oudste vijfde gedeelte der Leden van de Vergadering van H. H. M. af.

Be aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

Sluiten