Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 8(5.

leden der Statengeneraal voorgeschreven, is afkomstig uit de Schets van Hogendorp art. 26. De Grondwet v. 1814 art. 621 had dien met geringe wijziging behouden. De Commissie van 1815 gaf er meer uitvoerigheid aan

Alle Afdeelingen der Tweede Kamer stelden in 1840 voor te bepalen, dat de eed niet dan na goedkeuring der geloofsbrieven zou worden gedaan3. Men kon

*lk zweer (verklare) dat ik, om tot lid van de »Tweede Kamer der Staten Generaal te worden beonoemd, directelijk of indirectelijk aan geeneper,sonen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat «naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven »beloofd of gegeven heb, noch te beloven of geven zal.

«Ik zweer (belove) dat ikf om iets hoegenaamd «in deze betrekking te doen of te laten, van nit•mand hoegenaamd eenige beloften of geschenken »aannemen zal, directelijk of indirectelijk.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig." Deze eeden worden afgelegd in handen van den Koning, ofte wel in de vergadering der Tweede Kamer, in handen van den President daartoe door den Koning gemagtigd.

') Bij het aanvaarden hunner functien doen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed: «Ik zweer (belove), dat ik eerst en bovenal de grondwet »der Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handha»ven; dat ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, «de vrijheid en welvaart van deszelfs Ingezetenen, met alle »mijne krachten bevorderen zal, zonder aanzien van proivinciale of van eenige andere dan algemeene belangen.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig." Vergel. den eed van den Souvoreinen Vorst, art. 28, en boven op Art. 51-53, bl. 98-100.

2) Vergel. Raepsaet, Journal. 1. e. p. 87. 112.

3) Handelingen, 1. c. I p. 47, 48. 69.87.113.138. Vergel. (de Geer) Anteced. p. 16.

Sluiten