Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 114—118.

Evenzeer als alle andere voordragten der Statengeneraal aan den Koning zijn adressen tot antwoord op de troonrede of om bij andere gelegenheden de gezindheid der Vertegenwoordiging, zonder doel op een bepaald gevolg van regering, uit te drukken, tot hiertoe naar de regels van art. 114-118 behandeld. Had men er, bij de herziening, de algemeene toepasselijkheid van onderzocht, dan kon de vraag zijn ontstaan, of het wel goed is, dat adressen van den beschreven inhoud slechts door beide Kamers gezamenlijk kunnen worden aangeboden ? Stemmen beide overeen, des te beter. Maar is het wenschelijk, is het in 't voordeel der publieke zaak, dat de teekening van het karakter der eene Kamer worde uitgewischt, ten einde het stuk bij de andere doorga ? Heeft het geen eigen toon, is het, omdat men niets anders weet of durft te zeggen, bloote herhaling der vorstelijke zinsneden, of zelfs bewimpeling der ware gevoelens, eene Landsvertegenwoordiging zweeg dan beter.

Bij de Tweede Kamer wordt de commissie, om het antwoord op de troonrede te ontwerpen, benoemd door den president. Waarom niet, gelijk de rapporteurs over voorstellen van wet, door de Afdeelingen ? Dit ware allezins regelmatig. Doch art. 21 van het reglement zegt: »Alle commissien worden door den «president benoemd, welke daarbij, zooveel mogelijk, in acht zal nemen, dat elk der leden eene »beurt bekome.'' In een reglement, dat wezenlijk regelde, minder op de individus, en meer op het belang der vergadering lette, kreeg dit stuk, daar zóó veel van afhangt, waarschijnlijk eene andere ge-

Sluiten