Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 120, 121.

omtrent een punt, niet min gewigtig dan die, wier regeling door de wet art. 121 gebiedt 1. Er kan echter ook in worden voorzien door eene wet, die den tijd, binnen welken de afkondiging moet plaats hebben, in 't algemeen bepaalde, tenzij in eene af te kondigen wet een andere tijd mogt zijn voorgeschreven. Doch van waar zal de wet dien tijd rekenen? Bij voorstellen der Statengeneraal, door koninklijke aanneming wetten geworden, is dit gemakkelijk te zeggen. Maar hoe bij voorstellen der Kroon, door de Statengeneraal aangenomen? Hier keert de boven geopperde vraag weder. Wil men niet den dag, waarop de Eerste Kamer zich met het voorstel vereenigde, voor den dag houden, waarop het kracht van wet kreeg, men zal dan bij de wet ook in dit geval eene bijzondere verklaring der Kroon, ten blijke der aanneming van hare zijde, moet eischen, om, vóór de afkondiging, den eersten dag van het bestaan der wet als wet te kenmerken.

De wijze van afkondiging der wetten, en de tijd wanneer zij verbindende zijn, worden door de wet geregeld: het laatste is geschied door de wet v. 1822, thans art. 2 der wet houdende algemeene bepalingen. De wijze van afkondiging is niet regtstreeks voorgeschreven. Daar echter de derde alinea van dat artikel zegt, dat de afkondiging wordt gerekend bekend te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, in hetwelk de

') Zie Proeve, boven, bl. 23, aangehaald, art. 113. Handelingen I, p. 50. 70, 71. 114.

Sluiten