Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 123, 124.

jarige budget voor 4820-30, en vervolgens in 1820 op nieuw, genomen, had geenszins voldaan. Men zag weinig kans om het of over de uitvoering met de Kroon beter eens te worden, of de beginselen der verdeelbaarheid tusschen beide begrootingen juister en helderder in de Grondwet uit te drukken.

Zoo men in beide opzigten slaagde, zoo men vond wat men, als in elk der volgende tien jaren even onmisbaar, met volkomen vertrouwen op het tienjarig budget bragt, het zou ook, jaarlijks voorgesteld, geen aanstoot, noch de vastheid der finantiele huishouding bij een herhaald overleg lijden. Kon het niet met die zekerheid voor eene reeks van jaren worden gevraagd, mogt men zich dan van een jaarlij ksch nieuw onderzoek ontslaan? In het eerste geval was eene tienjarige begrooting onnoodig, in het tweede schadelijk.

Al ruimde men dergelijke bedenkingen tegen eene tienjarige begrooting van uitgaven uit den weg, men ontmoette andere, grootere zwarigheden bij eene tienjarige vestiging der inkomsten.

De omstandigheden, de eigenschap, de gepastheid, de opbrengst en werking van uitgeschreven lasten zijn, in den loop van tien jaren, aan veel sterker •wisselvalligheid, dan de noodzakelijke uitgave, onderworpen. Men zou in elk der tien jaren eveneens kunnen denken over de behoefte, en, na eene proef van een of twee jaren, vooral in een nieuw ingerigten Staat, bij een nieuw stelsel van belastingen, welligt reeds anders, dan voorbeen, moeten denken over de middelen.

Ten gevolge van de bezwaren, in de sectien der

Sluiten