Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 127.

Het eenvormig stelsel, keuze door drie standen, dus bij de reglementen gevestigd, en dat slechts uitzondering leed in Zeeland en Vriesland 1, werd, met afschaffing dier uitzondering, en vervanging van landeigenaren of eigenerfden door landelijken stand, overgenomen in de Grondwet v. 18152. Het was, in zooverre door deze overneming de magt, bij art. 74 der vorige Grondwet aan de Kroon opgedragen , eindigde , gewis verbetering. Het wezen der provinciale Staten duldt niet, dat de Kroon hunne zamenstelling

naar goedvinden regele.

Maar gaf men zich wel rekenschap, wat voorheen standen waren geweest? Wat zij in de tegenwoordige maatschappij konden zijn? In hoeverre eene Vertegenwoordiging nog op onderscheid van standen

kon worden gegrond?

Waar men voorheen standen, in politischen zin, kende, waren het dassen, die uit bijzondere oorzaken deel hadden aan de regering. Onder de Republiek waren edelen en steden, als Staten, deelgenooten van de regering der provincie, omdat de eersten als Heeren, d. i. eigenaren van heerlijkheden, de steden als ligchamen of universitates, publieke magt, van regtsgebied en politie, uit eigen hoofde bezaten,

Moesten zulke gronden voor onherstelbaar worden

') De Reglementen van Zeeland (art. 5, vergelijk art. 9,12) en Vriesland (art. 10, 13) lieten, om geene andere reden zoo 't schijnt dan dewijl er collegien van ridderschap ontbraken, niet kiezen door, maar uit de drie standen.

2) Vergel. het Rapport v. 13 Jnl. 1815 p. 28.

Sluiten