Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 127.

opzigte van den landelijken stand ook het provinciale kiesregt beteekenen?

Intusschen vinden wij in de provinciale reglementen 1, die naar de Grondwet v. 1815 moesten doen wat bij de herziening van art. 6 in 1840 aan de wet werd opgedragen, het kiesregt van den landelijken stand geformeerd. zoo als het nog werkt. Men bootste, reeds bij de reglementen v. 26 August. 1814, den vorm na, dien de Grondwet voor de keuze der stedelijke raadslieden verordende. Het kiezerschap, in twee trappen onderscheiden, enkel op woonplaats en schatpligtigheid gegrond. Geen tint of schijnsel van stand .

Trekken wij nu de som van het betoog bijeen.

De Grondwet is onvolledig en gebrekkig in de aanwijzing van het beginsel zoowel der kiezende standen, als van de magt, welke hun kiesregt moet vormen.

Keuze door standen is in onze hedendaagsche maatschappij eene vergissing. Standen, d. i. classen, die ieder, bij het genot van bijzonder regt, in eigenaardige betrekking zijn tot Staat of provincie, bestaan niet meer. Ontsprongen uit vereeniging van hen, die naar 't zelfde regt leefden, moesten zij met de ontbinding der bijzondere regten in één regt verdwijnen. Terwijl de Grondwet evenwel drie verschillende stan-

') Omtrent de zamenstelling der Staten, art. 16, 20 gqq. Het yerdient opmerking, dat de nog geldende Inetructie voor de gouverneurs in de provinciën v. 15 Dec. 1820 art. 34 (Stbl. n°. 27 en Bijvoeg». 1820 I p. 381 sqq.) »de bepalingen over »de benoeming der leden van den landelijken stand noemt door den Koning gemaakt. Yergel. op Art. 128 bl. 21.

2) Vergel. Herv. v. ons kieBst. p. 37 sq.

Sluiten