Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 128.

wat betreft de ridderschap, zich vermoedelijk_ geriet naar het aantal harer leden. Hiervan althans maakt het, door de ridderschappen benoembare, cijfer doorgaans meer of min een derde uit i;

ten opzigte der steden, deze in de meeste provincie blijkbaar zeer begunstigd bovendentandehjkens an ^ Doch naar welk beginsel? Dit is duister in ieder provincie op haar zelve; en welk beginsel men k meene te hebben gevat in eene provincie, het laait

wpdcr in 2iiicl6F6 «

wit zal nu, bij nieuwe regeling, de wet aannemen? Ten aanzien van den eersten stand is een redelijk beginsel niet te verzinnen. Indien het kiesreg ridderschap zelf allen grond mist, van waar een re„el ontleend om te bepalen, hoeveel zij zal kiezen. ° Het betrekkelijk aandeel van de landeliiken stand zal men niet anders dan willekeurig kunnen vestigen, tenzij beider wiize zii ingerigt. Bij het tegenwoordig stelsel, wan neer hier de gemeentelijke overheid, ginds bijzondere ingezetenen liezen, ontbreekt het muidel van-rgeliikins Tusschen gemeente en gemeente is eene re

den te vinden; niet tusschen stedelijke gemeenten als

universitates en eene platten lands bevolking, ie en

naar de persoonlijke of zakelijke eigenschappen hare

inHividus wordt onderscheiden.

Zoodra de ingezetenen binnen en buitel^steta. volgens hetzelfde regt kiezen, kan mehet bai getal op meer dan eene wijs afmeten. Men

ï)~Zie de tabellen in Herv. v. ons kieast. p. 63 en 65. ■) L. c. p. 66 sq.

Sluiten