Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 130—132.

nu die van den tweeden kiezenden stand te teekenen, om vervolgens, in art. 133, te komen tot den derden. Zie boven op Art. 127 bl. 12.

De voorschriften onzer vroegere Staatsregelingen gaan de gemeentebesturen in 't algemeen aan, zonder onderscheid van stedelijke en landgemeenten.

De Staatsregeling v. 1798 art. 190—1921 liet het bij eenige hoofdstellingen omtrent de inrigting der gemeentebesturen, en de ontwikkeling over aan een reglement, door het vertegenwoordigend Ligchaam, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, vast te stellen. Het strookte met den geest der Staatsregeling volkomen, hier de algemeene wetgeving te doen handelen.

Hiervan week juist de Staatsregeling v. 1801 art. 731 af. Volgens haar was de inrigting van elk gemeente-

') Art. 190. Over elke Gemeente in een Gemeentebestuur.

Art. 191. Het getal en de jaarwedde der Leden, de tijd en wijze hunner verkiezing door de stembevoegde Burgers, tot iedere Gemeente behoorende, en de tijd der zittingneming,— wordt door het Vertegenwoordigend Lichaam, bij een Reglement, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, bepaald.

Art. 192. Jaarlijks treed een derde gedeelte af van ieder Gemeentebestuur, of een getal van Leden, dat het naast daarbij komt. — Een aftredend lid is weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdsverloop van drie jaren. Vergel. Algem. Begins. art. 24.

2) Iedere stad, district of dorp heeft zijn eigen Gemeentebestuur, ingerigt op zoodanigen voet, als door iedere Gemeente ter goed- of afkeuring aan het Departementaal Bestuur zal worden voorgedragen, mits gegrond zijnde op het beginsel van volkskeuze, en eene geregelde afwisseling.

Art. 72. De Departementale Besturen dragen zorg, dat de — Gemeente-Bestuur en zoo spoedig mogelijk behoorlijk en op eenen vasten voet worden geregeld.

II Deel. °

Sluiten