Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 130—432.

missie van twaalf, door kabinetsbrief van den Souvereinen Vorst v. 17 Maart 1814 benoemd, was overeengekomen. Zij zijn de bron, men vindt hier de grondtrekken der volgende regeling.

De commissien moesten spoed maken, ten einde de ontworpen reglementen in de eerste bijeenkomst der provinciale Staten konden worden overwogen1.

Van hier af tot aan de verschijning der reglementen is hunne geschiedenis duister. Ontworpen en door de Staten, zoo deze overwogen, waarvan geen stellig blijk is, overwogen onder de Grondwet v. 1814, werden zij onder die v. 1815 alle gearresteerd bij koninklijk Besluit v. 5 Nov. 1815'.

Natuurlijk moest men voor elke stad een bijzonder reglement, en , al was er eenstemmigheid in hoofdbeginselen, een groot verschil van uitwerking der onderscheidene reglementen verwachten. Dan wat ziet men aan den dag komen? De steden van Gelderland, Zuidholland, Noordholland, Zeeland, Noordbraband en Drenthe provinciewijs onder één reglement ver-

»6°. Dat de volle raad ten minste eens in 't jaar zal ver»gaderen, om over de stedelijke finantien te raadplegen.

»7°. Dat burgemeesteren nogtans den raad kunnen oproe»pen, zoo dikwijls als daartoe termen zullen zijn, hetzij om ..stedelijke ordonnantiën aan denzelven voor te dragen, hetzij

»uit anderen hoofde. .... ,

„8°. Dat in de steden, alwaar zulks noodig zal zijn, onder «anderen ook kamers van koophandel en industrie zullen kun»nen worden opgerigt, waarin de openvallende plaatsen door «burgemeesteren vervuld worden."

') Besluit v. 29 Jul. 1814, art. 3; vergel. het alot der circulaire v. 9 August. 1814, Bijv. tot het Stbl. 1815 III p. 162o. ■) Ibid. 1815 III p. 1170 sqq ; 1820 IV p. 1829 sqq.

Sluiten