Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 130—132.

vat, en slechts bijzondere reglementen voor de steden Zwolle, Deventer, Kampen, Groningen, Amsterdam en Utrecht. Inderdaad echter hebben zij, de laatste even min als de eerste, wat den inhoud betreft zoo weinig een bijzonder karakter, dat zij alle doorgaans woordelijk overeenkomen. Dit verschijnsel was, zoo men de Grondwet, hetzij die v. 1814, hetzij die v. 1845, betrachtte, even onmogelijk, als het onbegrijpelijk is. Of men moet aannemen, dat de Kroon alle ontwerpen der stedelijke commissien of regeringen en alle bedenkingen der provinciale Staten terzijde, en één van harentwege vervaardigd reglement voor alle steden in de plaats heeft gesteld.

Van de wijze, waarop de tweede uitgaaf der stedelijke reglementen, die voor de steden der zuidelijke provinciën v. 42 Mei 1817 1, en de derde voor de noordelijke provinciën v. 4 Jan. 4824 2, werden tot stand gebragt, is nog minder bekend, dan van de eerste. Maar de uitkomst was dezelfde.

Lene uitkomst, met het grondwettig beginsel lijnregt strijdig. Het beginsel is individuele regeling voor ieder stad, onder medewerking der provinciale Staten en der Kroon tot waarborg van de harmonie der stedelijke inrigtingen met het stelsel der provincie en des Rijks. En wij kregen ééne inrigting, welke onder het bestel eener algemeene wet, die noch aan stedelijke regeringen of commissien, noch aan provinciale Staten eene stem had gegund, niet eenvormiger kon zijn geweest. Inderdaad rekende de Grondwet op

') Bijt. tot het Stbl. 1817 II p. 747 sqq. ") Ibid. 1824 I. p. 1 sqq.

Sluiten