Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 140.

Ten aanzien van het regt nu , om dergelijke maatregelen te nernen, staat de stemming over zaken niet gelijk met die tot keuze van personen.

Bij de eerste is het zonder twijfel pligt van elk aanwezig lid, zich voor of tegen het voorstel te verklaren. Vergelijk op Art. 104 I bl. 280.

Maar bij het stemmen over personen, wanneer eindelijk tusschen twee, welke de meeste stemmen hadden, moet worden beslist, is het geenszins onvoorwaardelijke pligt, een hunner te benoemen. Dit ware een pligt om, wanneer men beiden onbekwaam acht, tegen zijne overtuiging te handelen. Men is integendeel, op dezen grond, niet slechts in zijn regt, maar gehouden, aan beiden zijne stem te weigeren. Een oningevuld briefje zegt in dit geval niet, non liquet; het zegt, dat men den een zoowel als den ander der voorgestelden afkeurt. Althans de wet of het reglement kan geene andere onderstelling volgen ; en moet dus oningevulde briefjes eerbiedigen. In al de gevallen, waar geen der benoemden de volstrekte meerderheid der aanwezige leden heeft, is er geene benoeming geschied. Zoo dat art. 20 laatste alinea der reglementen v. 22 Junij 1817 ontleend van het stelsel, 't geen zoo als art. 55 en 56 der fransche kieswet v. 12 Sept. 1830, zich met betrekkelijke meerderheid vergenoegt, regtstreeks strijdig is met de Grondwet. Wat dan in die gevallen, b. v.

') Reglement, bepal. de wijze, waarop het gezag en de magt door de Staten der prov. wordt uitgeoefend, art. 20: »Indien »de derde stemopneming een gelijk aantal stemmen oplevert, «wordt de oudste in jaren bij voorkeur gekozen."

5*

Sluiten