Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 141.

konden de departementale Besturen door eene wet worden gemagtigd tot het heffen van departementale belastingen. De Schets van Hogendorp art. 43 wilde wel de kosten der Gedeputeerde Staten gebragt zien ten laste der provincie; maar de middelen aangewezen door eene wet. De Grondwetten v. 1814 en 1815 spreken van geene voordragt van middelen, door de provinciale Staten te doen, behalve in het bijzonder geval van art. 148. Het schijnt dus, dat voor't overige de provinciale uitgaven, als Rijksuitgaven beschouwd, naar het stelsel der Grondwet, door Rijksmiddelen moeten worden gedekt.

Dekking der kosten van het Rijksbestuur in de provincie door Rijksmiddelen is juist. Maar deze, anders dan in buitengewone omstandigheden, te besteden tot uitgaven van bijzonder provinciaal belang, dit ware zonder grond en onregtvaardig. Intusschen heeft art. 14 der wet v. 14 Junij 1821 1 ten opzigte der voorziening in beide classen van uitgaven een zelfde, schoon het tegenovergestelde, beginsel ingevoerd 2.

') Stbl. n°. 9.

■) Art. 14. »Ter bestrijding der uitgaven van provinciaal belang, of der kosten van zoodanige andere onderwerpen, als met het algemeen belang in verband staande, tot bezuiniging en vereenvoudiging in de administratie aan het bestuur der provinciale Staten gedemandeerd zijn of mogten worden, zullen — opcenten geheven worden op de hoofdsom der belastingen op de gebouwde en ongebouwde eigendommen en op het personeel. Yoorschrevene opcenten zullen in ieder provincie uitsluitend bestemd zijn tot uitgaven tot die provincie betrekkelijk, zonder dat immer een algemeen fonds van deze opcenten kunne worden gemaakt. De aanvrage tot gebruik derzelve opcenten door de provinciale Staten te doen, zal

Sluiten