Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 143.

dat niet zij handele voor provinciale of plaatselijke gemeente, waar deze handelen kan voor zich zelve. Zij wil tevens deze organen van het Staatswezen tot zelfregeling en zelfhandhaving, in harmonie met het geheel, verpligten. Terwijl zij alzoo in ieder deel zijn eigen levensbeginsel oproept, is hare strekking om het stoffelijk en zedelijk vermogen van het geheel grenzenloos te vermenigvuldigen en te verhoogen. Eene vermenigvuldiging en verhooging, die, bij de ontzaggelijke inspanning, welke onze tegenwoordige Staat vordert, eene voorwaarde is van ons behoud. Het volle bezit der gemeentelijke vrijheid, door de Grondwet toegezegd, is meer, dan iets anders, het middel om deze wortel te doen vatten in het volk, met wiens naaste belangen en minst veranderlijke betrekkingen van zamenleving zij daardoor innig wordt verbonden. Zonder een bedrijvig locaal en provinciaal burgerregt mist de werking van het Staatsburgerregt haren grondslag. Men zal de mederegeerzucht van onzen tijd niet onderdrukken. Men geve haar het voedsel en de rigting, die haar passen; en een klein Rijk zal de grootste in vastheid kunnen overtreffen?

Art. 143 beschrijft de provinciale magt, in zoo verre zij werktuig is van het algemeene Gouvernement. De Staatsregeling v. 1798 kende de departementale Besturen hoofdzakelijk slechts in deze betrekking als administvative lichaamen, ondcvge— schikt en verandwoordlijk aan het Uitvoerend BewindDe Staatsregeling v. 1801, tegenwerking van

') Art. 147 sqq., 170 sqq.

Sluiten