Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 157, 158.

moet hopen, eene goede en bestendige wet te erlangen. Aan voorbeelden heeft men overvloed. Want naauwelijks is eenig deel van publiek regt in onzen tijd elders zoo veelvuldig ontwikkeld, als de wetgeving ten aanzien der plaatselijke gemeenten. Zoolang men echter bij ons wetten maakt, als dieopdereg-

terlijke inrigting of de rekenkamer, die, wegens.hare onvolledigheid of gebreken, in elke zitting der Statengeneraal aan verandering bloot staan, zal het wel raadzaam zijn, de hoofdbeginselen der gemeentelijke regeervrijheid en harer betrekking tot hooger gezag in de Grondwet zelve te vestigen. Beginselen, die in een of twee artikelen, volgende op art. 153, konden worden vervat1.

Art. 158'. Ontleend, als art. 149, uit de Grondwet v. 1814 art. 98. Vergel. de Staatsregeling v. 1798 art. 150, en de wet v. 13 April 1807 art. 44'. Zie de Dispositie van den gouverneur van Zuidholland v. 12 Junij 18243 en op Art. 1494. Dit en art. lo8 konden in de Grondwet worden gemist, zoo men de vergunning, die art. 159 aan allen schenkt, ook voor de provinciale Staten en plaatselijke besturen genoegzaam achtte.

Z b v in de Constitutie van Brunswijk v. 1882 § 46 de

reeels'van het gouvernementstoezigt over het bestuur van gemfiftnteliik vermogen uitnemend beschreven.

:\ 4):t 158. De gemelde bestnren mogen de belangen van hunne plaatsen en derselver ingezetenen, bij den Koning en de Staten hunner provinciën voorstaan. 'ï Biiv. tot het Stbl. 1824 II p. 1224 sqq.

<) Vergelijk de fransche wet v. 18-22 Jul. 183* sur

ministr. mun. art. 24.

Sluiten