Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 159.

missie kan, volgens art. 104, wanneer de verzoekschriften loopen over onderwerpen, »die tot de dadelijke en regtstreeksche bemoeijingen der Kamer »behooren," concluderen tot benoeming eener bijzondere commissie, aau welke wordt opgedragen, na naauwkeurig onderzoek der feiten, omtrent de te nemen maatregelen een bepaald voorstel te doen. De eerste commissie onderzoekt dus niet, noch brengt een oordeel uit. Is evenwel de pligt hiertoe, wanneer over het verzoek zelf door de Kamer moet worden beslist1, niet in het begrip van verslag, tot voorlichting eener vergadering gedaan, opgesloten . Het onderzoek zal door eene tweede commissie geschieden, zoo het onderwerp tot de dadelijke en regtstreeksche bemoeijingen der Kamer behoort. Welke zijn die? Wordt er iets anders, dan de bevoegdheid der Kamer, mede verstaan? Maar zoo de Kamer niet bevoegd is, moet zij , volgens ons artikel,

het stuk van de hand wijzen '•

Art 159 is de regeling van het gebruik van een regt3, dat niet behoefde te worden gegeven; van een

M Het is waar, dat men zich hiervan door een echt neder-

landschen vond, «ederlegging ter griffie, meestal afma^ en

besluit niet over het verzoek, maar over de plaats, waar ne stuk zal worden bewaard. Niet alle

vorderen, op zich zelve, eene bedwingder Kamer, al heeft de verzoeker zich te regt tot haar gewend; b. v. die met, welke

d 68 saa Vergel. op Art. 114-118 I bl. 314, 31 . P'3) In onderscheidene duitsche Conrtigtmn echtere"««^bepaald ; zie b. v. die van Begeren v. 1818 Tit. VII §i 21, va temberg v. 1819 § 36-38; van Bronswijk v. 1832 § 38. 114.

Sluiten