Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 162.

worden afgeleid uit art. 1, waar zij zegt, dat onteigening kan worden bevolen tot aanleg, herstel, verbetering, uitbreiding of vergrooting van straten, grachten, pleinen, markten en burgerlijke begraafplaatsen. Het nut van zulke ondernemingen voor den Staat in zijn geheel zal wel ver te zoeken zijn. Wanneer dus de wet hier onteigening om een plaatselijk nut toelaat, zal men ook ten behoeve van havens, droogmakerijen, waterleidingen, loozingen of keeringen, van middelen van gemeenschap te water en te lande, van openbare gebouwen of werk- en bergplaatsen mogen onteigenen, schoon slechts een deel van den Staat, eene provincie, eene stad, een dorp, of eenige afzonderlijke instelling bij het werk belang hebbe. Zóóver gekomen, waarom zou men niet algemeen nut noemen dat van elke meerderheid van ingezetenen tegenover het regt van eenen of weinige eigenaars? Dit schijnt het hoofdgebrek der wet, dat zij om het begrip van algemeen nut geene grenzen trok. En de Grondwet zelve deed beter, de wetgevende magt in dit opzigt te leiden '.

Het oordeel, in welke gevallen onteigening ten algemeenen nutte plaats zal mogen vinden, behoudt de Grondwet voor aan de wet. Het is slechts de vraag, of zij eene wet eischt in ieder bijzonder geval, dan ééne algemeene wet, waarin die gevallen vooraf zijn beschreven. Het eerste ware het engelsche stelsel,

') Vergel. b. y. de Constitutie Tan Brunswijk v. 1832 §33: » Priyateigenthum und Pri vatgerech tsame können für wesentliche • Zwecke des Staats oder einer Gemeinde nur in den gesetzlich »bestimmten oder dnrch dringende Nothwendigkeit gebotenen »Fallen, — in Ansprnch genommen werden."

Sluiten