Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 173, 174.

Staten zouden hebben voor benoemingen in de provinciale Hoven. Ging dat denkbeeld door, dan was het onvermijdelijk, aan de Statengeneraal eene tusschenkomst te verleenen bij benoemingen in den Hoogen Raad. De Souvereine Vorst of de Koning gebonden ten aanzien der provinciale Hoven, en niet gebonden ten aanzien van den Hoogen Raad, dit was niet vereenigbaar.

Hierbij kwam, dat de Staatsregelingen v. 18011, 1805 4, ja v. 1806 3, aan het Wetgevend Ligchaam de verkiezing hadden toegekend der leden van het Nationaal Geregtshof, uit eene lijst van vier personen, volgens de Staatsregeling v. 1801, door het Hof en het Staatsbewind gemeenschappelijk, van drie, volgens de andere Staatsregelingen, door het Hof alléén, geformeerd. Dit was een overblijfsel van het systeem der volkskeuze, ook nog in Frankrijk, onder Napoleon , bij het Senaatsbesluit v. 1802 art. 86, ten aanzien der leden van het Hof van Cassatie bewaard. In 1814 en 1815 was het denkelijk de meening niet, in dat systeem te treden, maar het kon, van wege die constitutionele antecedenten, minder vreemd voorkomen, dat men den invloed der Vertegenwoordiging vestigde op benoemingen, elders, als een wezenlijk stuk van de algemeene uitvoerende magt, onverdeeld geeigend aan de Kroon.

Is verdeeling bevorderlijk aan goede keuze? Men zal zich wel niet hebben voorgesteld, dat de medewer-

') Art. 90. :) Art. 79. 3) Art. 72.

Sluiten