Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 175, 176.

door het aan te vragen verlof der Kamer ligt begrijpelijk ten aanzien van leden der Statengeneraal. Bij hen zou het zelfs, uitgestrekt tot vervolging van wege elk misdrijf, en niet enkel bepaald bij die van wege misdrijven »in 't uitoefenen hunner functien," geenszins vreemd zijn1. Maar welke beteekenis heeft die voorwaarde ten aanzien der ministers en andere in art. 175 genoemde ambtenaren?

Konden de Kamers den procureurgeneraal, wien art. 318 van het Wetb. v. Strafv.1 het vragen van verlof opdraagt, bevel tot vervolging geven, het verlof scheen dan gepast voor de gevallen, waar het openbaar ministerie meende, ambtshalve of op aanleiding eener van elders ontvangene klagt of aangift te moeten vervolgen.

Mag men zich als grond van het vragen van verlof voorstellen, dat de Kamers beslissen, of de bijgebragte feiten het kenmerk hebben van ambtsmisdrijf? Dan bleef aan den Hoogen Raad slechts het onderzoek naar de waarheid dier feiten en de schuld, benevens de toepassing der straf of vrijspraak. De regtsmagt ware dus tusschen de Statengeneraal en den Hoogen Raad gedeeld; 't geen te eenenmaal strijdig is met de Grondwet.

Is dan de voorwaarde gegrond op de vrees, dat de procureurgeneraal in 't vervolgen der ministeriële

') Zoo als vervolging van de leden van de Kamer der Gedeputeerden, om welk misdrijf ook, gedurende de zitting , niet is toegelaten b. v. door de fransche Charte v. 1814 art. 52, v. 1830 art. 44, even min als door het engelsche regt, dan op verlof der Kamer.

:) Overeenkomstig met het beginsel, in art. 2 uitgedrukt.

Sluiten